Pablo Picasso: Een Afrikaanse magiër incarneerde in Spanje

Foto (detail): Wikipedia / Mar11

“Voor mij brak het licht aan, toen ik ijverig studerend in de Romaansche en Gotische sculpturen van het Trocadero-museum ineens het pas-ingerichte kamertje met Afrikaanse en Polynesische afgodsbeelden ontdekte en verpletterd stond over hun inventie en synthese”.
Pablo Picasso (1925)

Ook als men geen medium of paragnost is moet na het lezen van deze metafysische bekentenis, feitelijk een roeping, de conclusie zijn dat Picasso´s leven van begin tot eind verweven is met Afrika. En niet alleen door zijn vormentaal, maar a priori door zijn innerlijke ankers met Afrika waaruit de vormentaal zich ontwikkelde – oorzaak en gevolg, en niet andersom. Picasso met zijn incarnatieve Afrikaanse roots kon niet anders schilderen dan dat hij deed, zoals Mark Rothko´s abstracte schilderijen het gevolg waren van zijn incarnatie in het Spaans-islamitische Al-Andalus in de 11e eeuw (Moors iconoclasme, en het aangezichtsloze gelaat van Andalusische stoeptegels 2014).

Pablo Picasso woonde van 1918 tot 1940, in de Parijse Rue La Boétie 23, boven kunsthandelaar Paul Rosenberg. Begin 1925 vond er een belanghebbend interview plaats. Picasso werd er geïnterviewd door jonkheer W.F.A. Roëll, eertijds gewaardeerd Nederlands kunstcorrespondent in Parijs voor Het Vaderland en tevens schrijvend voor Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. In de aanloop van zijn artikel schreef Roëll:

“Langzamerhand komt het gesprek [met Picasso] op de negersculpturen en het kubisme. Talrijke personen die hem hierover interpelleeren wilden, zijn vruchteloos huiswaarts gekeerd. Bekend is dat Picasso, die het chef d’école-spelen aan Braque overlaat, zich nimmer over het kubisme wilde uitlaten en nog onlangs [1925] antwoordde hij op ‘n enquète: “Art nègre connais pas.” Doch het is of de schilder zich tegenover een buitenlandsch amateur [Roëll was overigens een scherpzinnige, erudiete en filosofische ‘correspondent’] die geen der allures van criticus of journalist bezit, vrijer durft uitlaten.”

In de bewoordingen van kunstcorrespondent Roëll (die de Franse taal zeer goed meester was) verklaarde Picasso tijdens het interview:

“Omstreeks 1906, toen wij een zuiver-plastische vormkunst zochten, kregen we van alle kanten het overstelpende bewijs van wat komen moest. Voor mij brak het licht aan, toen ik ijverig studerend in de Romaansche en Gotische sculpturen van het Trocadero-museum ineens het pas-ingerichte kamertje met Afrikaanse en Polynesische afgodsbeelden ontdekte en verpletterd stond over hun inventie en synthese. Ik paste mijn ontdekkingen toe op de “Demoiselles d’Avignon,” welke Braque de uitlating ontlokte; “Dat is krankzinnigenwerk, net iemand, die karpet eet of petroleum drinkt”, en die de eerste aanleiding zijn geweest tot het kubisme, die heilzame “stade de fermes primaires,” waarvan Braque dus niet, zoals veelal gemeend wordt, de eerste ontdekker is geweest.” [vet toegevoegd, mv].

Roëll WFA. (1925). Pablo Picasso. Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 35, Deel 69, 1925 januari-juni, p. 312. Geraadpleegd op 13 november 2014 via https://bit.ly/2MjU2c6.

Het verhaal wordt inmiddels eentonig, de analyses simpel, maar de conclusies reïncarnatief gezien, helder. Met één move, in een handomdraai, met een omhaal kan geschiedenis worden geschreven. Picasso had in zijn studietijd meer gezien dan alleen Afrikaanse sculpturen, had ook perplex kunnen staan bij het aanschouwen van bijvoorbeeld Japanse prentkunst, why not. Neen, Picasso werd geraakt, verpletterd, bij het zien van een vormentaal die aansloot bij zijn diepste beleving en beeldende overtuiging. Het waarom moge na dit essay wel duidelijk zijn.

Picasso kon niet anders dan naar zichzelf luisteren, naar de Picasso-entiteit die mogelijk in een ver zwart Afrikaans verleden zich reeds aan kubisme en abstractie had begeven toen de Picasso uit de 19e eeuw nog geboren moest worden, toen kubisme en abstractie in westerse ogen nog niet bestonden. We kunnen (godzijdank) niet afwijken van onze reïncarnatieve roots. Picasso behoefde alleen maar zijn innerlijk kompas te volgen: de man die eeuwen geleden, in een andere culturele setting, al kubist en abstract kunstenaar was geweest.

Het werelds succes en de mate van betekenis van Picasso’s werk is voor een belangrijk deel gelegen in zowel het tijdstip van Picasso’s verschijnen, de eeuw waarbinnen Picasso incarneerde, alsook in de ‘secundaire arbeidsvoorwaarden voor succes’: de artistieke bagage die hij meenam in de incarnatie die aanving in het Andalusische Málaga.

Het nature-nurture-debat – talent versus gelegenheid tot exploratie – is hier zeker van toepassing (zie daarover: Criminologie en het nature-nurture-debat). Om ‘muziek’ te kunnen maken is er een object en een subject nodig die vervolgens op elkaar inwerken: de vroegere naald/saffier (subject, het talent) en de bakeliete grammofoonplaat (object, de maatschappelijke omstandigheden) waarop de naald insnijdt. Zonder object snijdt de naald in de lucht. Er speelden bij Picasso dus meerdere incarnaties mee (talenten als gereedschap) die tot inhoudelijk én werelds succes zouden leiden. Factoren welke vergelijkbaar zijn met de positie van een loodgieter die divers gereedschap meeneemt (subject, talenten) als hij naar een wat uitgebreidere klus (object) gaat.

De uit vorige levens meegebrachte talenten van Picasso, operationeel voor een specifiek tijdsgewricht dat rijp was voor kubisme en abstractie, was dan ook een gouden greep. Een gouden greep van wie? Van de entiteit Picasso, van onbelichaamde tutors die incarnatiekeuzes vaker begeleiden, of wellicht van beide factoren. En Picasso incarneerde niet alleen om de nieuwe kunststroming aan te melden. De tutors of astrale curatoren voor collectieve incarnaties hadden een hele club ‘schilders’ stand-by, voor en na Picasso’s geboorte. Entiteiten als Cézanne, Braque, Gris, Léger hadden hun tickets voor het kubistisch en abstract ruimteschip Aarde al gekregen, moesten na hun geboorte slechts ‘per toeval’ in Parijs zien terecht te komen.

De slimmigheden van astrale begeleiders met betrekking tot collectief incarneren, positief of negatief, worden vaker maar beslist niet altijd, Jenseits bekokstoofd. Zoals in vroeger tijden vrienden uit dezelfde wijk gezamenlijk als militair naar de koloniën in de Oost of de West gingen, jihadisten elkaar nu opzoeken om samen voor en door IS getraind te worden, zo incarneerde bijvoorbeeld Hitler in het Derde Rijk gezamenlijk met een hele club aspirant-nazi’s die in eerdere incarnaties al met het botte bijltje hakten (Ravenscroft 1974). De mannen aan de top van het Derde Rijk vonden elkaar dan ook blindelings. In kunst of wetenschap is het collectief incarneren identiek, en soms ook noodzakelijk: intellectuele kruisbestuiving. Het Manhattanproject dat de eerste atoombom baarde, kende 130.000 medewerkers, waarvan 20 wetenschappers de Nobelprijs ontvingen. Dit om een bepaald doel te dienen of om betrokken te zijn bij nieuwe tot de ‘verbeelding’ sprekende ontwikkelingen.

Ook de ontwikkeling van de abstracte kunst was vanuit het Jenseits zeer goed voorbereid. Hoe de astrale studiekamertjes er precies uitzagen moet nog ontdekt worden, en of er afdelingen bestaan waar astrale projecten gecoördineerd worden onder het genot van automatenkoffie aan Ikea-tafeltjes is ook nog een studie waard. Maar ontwikkelingen worden menigmaal voorgebakken, of om in bakkerstermen te blijven, herhaaldelijk doorkneed, dat is zeker. Eenmaal op reis (in de levende wereld, eenmaal geïncarneerd), krijgt een ontwikkelingsproject vaak een eigen dynamiek en verantwoordelijkheid en maakt zich deels los van het oorspronkelijke ontwerp, zoals voetballers in het veld dat hebben nadat ze in de kleedkamer werden toegesproken door een meer of minder rood aangelopen trainer van het type Van Gaal, en zij het plan uiteindelijk zelfstandig moeten invullen.

 

HET BEGIN

Picasso is 5 jaar oud. Hij heeft de eerste ervaring die, zonder dat hij zich er bewust van is, stamt uit een Afrikaanse incarnatie. Het is vroeg in de ochtend, een zonnige dag, de deur van het huis staat wagenwijd open. Kleine Pablo is zijn vader en moeder alvast vooruit gelopen, en blij als hij is maakt hij een vreugdedansje op de keitjes voor hun Malageense huis.

Het zijn geen geijkte kinderlijke dansbewegingen gekopieerd van wat hij thuis of elders gezien zou hebben, maar bewegingen die voor de gewone toeschouwer overkomen als vreemde capriolen. Elke professionele dansleraar zou zijn naar links en rechts springende, ogenschijnlijk a-ritmische bewegingen, zeker hebben gekwalificeerd als niet westers van oorsprong. En elk professioneel medium zou zijn ogenschijnlijk a-ritmische dansjes zeker hebben gekwalificeerd als de kenmerken van een rituele Afrikaanse dans. Nog vaak zal Picasso tijdens zijn kindertijd deze gestroomlijnde ‘capriolen’ ten toon spreiden, en nog vaak, tot aan zijn dood toe, zal Afrika zijn leven beïnvloeden.

In een opvolgend extrasensorisch beeld laat de jonge Pablo, intussen adolescent, me zien dat hij zich herhaaldelijk aan een ijzeren rekstok optrekt. Lichamelijke excersities en het stalen der spieren is belangrijk voor hem. De belangstelling voor sport komt uit hetzelfde innerlijke reservoir van onbewuste Afrikaanse herinneringen zoals de met capriolen omgeven vreugdedansjes uit zijn kindheid.

“Ik moet in vorm blijven, zo zegt hij tegen zichzelf.”

Het blijkt een belangrijke mantra te zijn, een mantra die stamt uit zijn gevangenschap tijdens een incarnatie in Afrika. Ook Picasso is, evenals vele andere mensen met een repeterende mantra, zich niet bewust dat deze een oorsprong heeft, stamt uit een vorig leven. Persoonlijke mantra´s, beladen generaliserende zinnen, zijn in therapeutisch reïncarnatieve termen postulaten of hangovers die groot of klein zich in de ziel hebben genesteld.

Het is als de anorexia patient die in de spiegel kijkt en zich dik waant, of de megalomane narcist die zich keizer waant achter een piepkleine marktkraam. Postulaten, hangovers, nawerkingen in algemene termen, zijn naast kommer en kwel meer dan eens bronnen en drijfveren waaruit menige kunst geboren kan worden. Picasso moet in vorm blijven, als een gevangene die zich in zijn cel fysiek voorbereid met halters en andere gewichten om later weer gespierd de vrijheid in te kunnen stappen.

Het is Afrika dat zich steeds in hem roert, en waardoor, na de eerste signalen tijdens kindheid en adolescentie te hebben gevoeld, hij verpletterend wakker wordt geschut in het kamertje van het Parijse Trocadero-museum met Afrikaanse afgodsbeelden. Voor Picasso is er geen weg meer terug, zijn Afrikaanse incarnatie zal zijn huidig leven plaveien en dat van de 20e eeuw, geschiedenis zal worden geschreven, kubisme. Het aloude schoonheidsideaal van de dominante Franse Académie des Beaux Arts zal sterven, de wereld zal door Picasso veranderen, kunsthistorisch, politiek, sociaal, tot en met het modebeeld van paars geverfde haren van kassières van huidige supermarkten. Roy Lichtenstein, Andy Warhol en Joseph Beuys kunnen geboren worden en hun deel aan de toekomst bijdragen.

 

AFRIKAANSE MASKERS

Zoals Picasso in 1925 aan jonkheer Roëll beschrijft, en zoals nadien de hele wereld kunsthistorisch is gaan begrijpen, hebben de negersculpturen op Picasso een verpletterende en onuitwisbare indruk gemaakt. Dit ondanks zijn soms afgegeven tegenstrijdige verklaringen over Afrika als inspiratiebron, die een strategisch doel hadden met betrekking tot de factor originaliteit. Het Trocadero-museum, het huidige Musée de l´Homme, architectonisch een eclectisch en neoclassicistisch taartje, werd door Picasso en zijn gereïncarneerde kompanen veelvuldig bezocht. Tenslotte diende het museum op stille zondagen en andere dagen als substituut voor hun voorgeboortelijk Afrikaans huis.

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Het is een dag in 1906, op het einde van een ochtend. Picasso staat in het museum voor het pas-ingerichte kamertje met Afrikaanse afgodsbeelden, het is alsof er een bom bij hem inslaat. Zijn hart stroomt over van emoties, maar de astrologische Schorpioen in hem toont als gebruikelijk deze niet aan de buitenkant. Dáárom zal Les Demoiselles d’Avignon geschilderd worden, dat te boek zal komen te staan als wellicht de geboorte van het kubisme. Hij wil met het schilderij vooraleerst een eerbetoon maken aan de makers, de Afrikaanse magiërs-kunstenaars. Pas dan vraagt hij zich af in welke vorm hij de getoonde abstractie eigen zou kunnen maken.

Zijn ontdekking en de beeldende transformaties als gevolg zullen de kunsten van de 20ste eeuw op hun grondvesten doen trillen. Picasso´s innerlijk oog en de kijk op de wereld is sinds zijn eerste bezoek aan het Trocadero-museum totaal gewijzigd. Het is vergelijkbaar met de blik van cineast Alfred Hitchcock, die eenmaal geproefd te hebben van de welhaast dodelijk geënsceneerde spanning tijdens de opnames van The Birds of Psycho, de wereld alleen nog maar kan bekijken door de ogen van een slachtoffer of morbide psychopaat.

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Opnieuw staat Picasso voor het kamertje met Afrikaanse, en opnieuw ondergaat hij een vreemde, welhaast hypnotische gewaarwording. De sculpturen en vooral de maskers betoveren hem. En steeds weer beginnen zijn voeten in de dunne zomerschoentjes te tintelen, een koude tinteling als een winderige Normandische winter, die tot voorbij zijn kuiten optrekt. Hij rilt er steeds van, en niet alleen lichamelijk. Het geeft ook schrik, een beklemming die hij ervaart. Nooit eerder heeft hij door angst een dergelijke lichamelijke reactie ervaren. Maar niemand hoeft het te weten, en niemand zál het ook weten. Stel je voor dat hij aan een van zijn vriendinnen of nog erger, aan een van zijn schilderende vrienden zou moeten bekennen dat hij misschien wel bevreesd is voor die maskers, er eigenlijk als de dood voor is, en dat zijn benen het bijna begeven. Niemand zal zijn geheim ooit weten. Om de magische ban te breken rest er maar één methode: vertrouwd raken met de maskers en hun invloed, de ijskoude voeten voor lief nemen, dikke sokken aantrekken, en dat wat er met hem gebeurd al schilderend in zijn atelier op doek zetten.

Na enige tijd wordt hij bevriend met de maskers, vooral met de Afrikaanse, en gaat hij in het etnologische museum een nieuwe fase in. Picasso wordt één met de maskers en beelden, wordt meer en meer één met hen.

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
In gedachten identificeert hij zich met de makers van de maskers, alsof hijzelf een van de makers is, ook al weet hij dat dat niet kan. Hij wordt er rustiger door, en tevens opgewonden. De tinteling in voeten en onderbenen heeft plaatsgemaakt voor extase in zijn borstkast dat zich als vreemde hartkloppingen aandient. Alsof hij in een roes verkeerd, maar zonder absint of opium. Hij zal geen maskers namaken, niets kopiëren van wat hij ziet, maar wel gestalte geven aan wat hij beleefd, dat vreemde gevoel in zijn borst, en aan wat hij waarneemt, de geniale inventie en synthese van deze bovennatuurlijk intelligente `primitieven’. Hij zal naar eigen opvatting zelf portretmaskers maken, al schilderend met penseel, als ware hij een schilderende magiër uit een ver verleden die de wereld aan zijn voeten probeert te krijgen, zich nog niet bewust dat zijn fantasieën werkelijkheid zullen worden, geen notie hebbend dat zijn naam na Trocadero voor eeuwig de geschiedenis in zal gaan.

Picasso, die in de onbewuste lagen van zijn ziel zijn Afrikaanse incarnatie duidelijk herinnert, verliefd als hij is geworden op zichzelf als entiteit in een vorig bestaan, het andere ik in hem, kan na uiteindelijke ‘bekering tot zichzelf’, fluweelzachte vrouwengezichten alleen nog maar ‘in abstracte deformatie’ waarnemen en afbeelden, en bezien door de ogen van de ‘primitieve’ Afrikaan die hij in een vorige leven was zonder er bewuste kennis van te hebben.

Na Les Demoiselles d´Avignon, en in het bijzonder de erop afgebeelde gezichten van de dames van lichte zeden, ontstaan een immense serie aan portretten en figuren, die qua muze zo uit de catacomben van Afrikaanse kunst kunnen zijn weggelopen.

Ook na de vermeende Afrikaanse periode van Picasso (1906-1909), foutief toegeschreven door stoffige kunsthistorici, blijft Picasso zowel voor als na Guernica tot en met zijn laatst bekende doek ‘Zelfportret’ (juni 1972) trouw aan zijn Afrikaanse derde oog. Reden voor hem een leven lang Afrikaanse kunst in grote getalen te verzamelen.

In tegenstelling tot de geclassificeerde Afrikaanse periode, ook wel Negro Period / Black Period genoemd, liep deze paragnostisch en parapsychologisch gezien van Parijs 1906, via Guernica en vele duizenden andere werken, het merendeel zelfportretten met reïncarnatieve Afrikaanse ‘stigmata’, tot aan zijn dood in Mougins in 1973. Interessant te weten dat een niet-paragnost en niet-reïncarnatiedeskundige, Yves le Fur, directeur conservator van het Parijse etnografisch Musée du quai Branly dezelfde mening was toegedaan: «No hubo un periodo negro en Picasso, duró toda su vida» (Er was geen zwarte [Afrikaanse] periode bij Picasso, het duurde zijn hele leven) El Mundo.

De serie van Picasso´s laatst bekende werken tussen juni en juli 1972 ontstaan, met krijttekeningen als ‘Zelfportret’ (1972) en ‘Zonder titel’ (1972), prehistorisch Afrikaans van origine en Grebo maskers gelijk voor wie ogen heeft, zijn er het overtuigende bewijs van.

Om de oorsprong van Picasso´s verwantschap met magisch Afrika te detecteren neem ik als paragnostisch medium de lezer mee naar het komende artikel:

‘Pablo Picasso: Mijn vorige leven als Afrikaanse magiër in gevangenschap’

 

 

NOTEN EN AANBEVOLEN LITERATUUR

Arroyo S. (2015). Astrology, Karma & Transformation: The Inner Dimensions of the Birth Chart (2nd Revised edition). Sebastopol CA: CRCS Publications.

Bastide R. (1978). The African Religions of Brazil. Towards a Sociology of the Interpenetration of Civilizations. Baltimore: The John Hopkins University Press.

Cándra CM. (1999). Intérprete de la transformación (los diálogos con el espíritu de Ayrton Senna). Correio da Bahia. Salvador da Bahia, Brasil http://bit.ly/2hGVEMY.

Cerminara G. (1970). Many Mansions: The Edgar Cayce story on Reincarnation. New York: Slone.

Dam H ten. (2001). Catharsis en integratie: Handboek regressie- en reïncarnatietherapie. Ommen: Tasso.

Fur le Y. (2017). Picasso primitif: Exposition Jardin du musée du quai Branly. Paris: Flammarion.

Fur le Y. (2008). Masks. masterpieces from the musee du quai branly collections. Paris: Quai Branly

Fur le Y. (2017). Through the Eyes of Picasso: Face to Face with African and Oceanic Art. Paris: Flammarion.

Kardec A. (1857). The Spirits’ Book. Federaçao Espírita Brasileira. Geraadpleegd op 2 februari 2013 via http://bit.ly/12gX1Re

Kardec A. (1861). The Mediums’ Book. Federaçao Espírita Brasileira. Geraadpleegd op 2 februari 2013 via http://bit.ly/14oBx81

Kardec A. (1868). The Genesis According to Spiritism. Federaçao Espírita Brasileira. Geraadpleegd op 2 februari 2013 via http://bit.ly/11u1cgZ

Madeline L, Martin M, et all. (2006). Picasso and Africa. Cape Town: Bell-Roberts.

O´Brian P. (1994). Picasso: A Biography. New York: Norton.

Richardson J. (1996). A Life of Picasso: 1881-1906: The Painter of Modern Life. Volume I: 1881-1906. New York: Random House.

Richardson J. (2009. A Life of Picasso, Volume II: 1907 1917: The Painter of Modern Life: 1907-1917. London: Random House.

Richardson J. (2007). A Life of Picasso, Vol III: The Triumphant Years 1917-1932. New York: Knopf.

Stepan P. (2006). Picasso’s Collection of African & Oceanic Art: Master of Metamorphosis. New York: Prestel.

Stevenson I. (1980). Twenty Cases Suggestive of Reincarnation. Virginia VA: University of Virginia.

Verstraaten MJG. (2009). Holy Inspiration, Religion and Spirituality in Modern Art – The Stedelijk Museum: On the Origen of Modern Art by Means of Past Life Memories. Mediumistic Journalism. Feb 25, 2009;4:03. http://bit.ly/10FZ0oa

Verstraaten MJG. (2012). Painterly séances in color and the Past Lives of Camilo Villaneuva. Camilo Villaneuva / Reviews, Argentina. Dec 12, 2012. http://bit.ly/18IdxQz

Verstraaten MJG. (2010). Ayrton Senna: Mijn vorige leven als Tibetaanse monnik (hoofdstuk 4, in): Vlinders kunnen niet Dadelen en Dadels kunnen niet Vlinderen. Genetica van een innerlijke & uiterlijke carrière. Nederland / Curaçao, Nederlandse Antillen: Destinations NV – Intuïtieve Intelligentie. ISBN 978-90-812836-5-6. https://bit.ly/2GhkS1j

Verstraaten MJG. (2016). Lola Flores: Mijn vorige leven als Franse balletmeester. Mediumistic Journalism. Geraadpleegd op 4 november 2017, via http://bit.ly/2hGZXrB.

Verstraaten MJG. (2017). Isabel la Católica: Mijn vorige leven als promiscue non. Mediumistic Journalism. Geraadpleegd op 4 december 2017, via https://bit.ly/2MkNxYg.

Verstraaten MJG. (2018). Antoni Gaudí: Mijn vorige leven als straatjongen in Istanboel die aan hallucinaties leed. Mediumistic Journalism. Geraadpleegd op 4 november 2018, via https://bit.ly/2Z9qQMU.

Verstraaten MJG. (2019). Tomas de Torquemada: Mijn vorige leven in Belgrado als zoon van een brute moeder. Mediumistic Journalism. Geraadpleegd op 2 juli 2019, via https://bit.ly/2H8j0IT.

Wambach H. (1979). Life before Life. New York: Bantam.

Wambach H. (1979). Reliving Past Lives: The evidence under hypnosis (De mens heeft vele levens. Onze herinneringen aan een vorig bestaan. Vert.). New York: Bantam.

Weiss BL. (1993). Through Time into Healing. New York: Simon and Schuster.

Weiss BL. (1988). Many Lives, Many Masters. New York: Simon Schuster.

Woolger RJ. (1988). Other Lives, Other Selfs: A Jungian psychotherapist discovers past lives. New York: Bantam Books.

Woolger RJ. (2011). Healing your Past Lives. Louisville, CO: Sounds True Inc.

Zeeuw G. van der. (1980). Helderziendheid in ruimte en tijd. Deventer: Ankh Hermes.

 

 

Update 24-01-2020

__________________________________________________________________________________

© MARTIEN VERSTRAATEN
Psychic & mediumistic healer. Past life regression therapist.
Into practice since 1985 (Holland, Curaçao, Brazil, Spain).

Mediumistic journalist. Author.

Formerly professor of visual arts
HAN University of Applied Sciences,
Department of Visual Arts, Nijmegen, Holland.

Formerly professor of visual arts & metaphysical methodology
NHL University of Applied Science
Formerly Faculty of Education of the Leeuwarden Polytechnic,
Department of Visual Arts, Groningen/Leeuwarden, Holland.

Formerly governor of art and culture
Member of the board for Cultural Advice of the County of Groningen
Groningen, Holland
Member of the general board of the Groninger Museum
Groningen, Holland

_______________________________________________


DESTINATIONS
– Laboratory for Intuitive Intelligence
Spain – Holland – Curaçao – Brazil
CONSULTORIO PARANORMAL ANDALUCÍA
Jerez de la Frontera, Cádiz, Spain

www.martienverstraaten.com