Miguel de Cervantes: Mijn vorige leven als Filius de Athener, de stotterende Griekse redenaar

Cervantes op papier gris
Foto: Wikipedia / G. dallorto
Jaargang 12.
Column 1.59
 

 

Voor wat er aan voorafging, zie:
“Miguel de Cervantes, de Griekse redenaar die in Spanje incarneerde”

 

Geesten melden zich ieder op hun eigen manier bij me aan en meer dan eens op onorthodoxe manieren. De astrale anchorman die Ayrton Senna in 1998 met een levensechte luidende stem, pure magie, bij mij aankondigde: “Hier is een autocoureur” (Verstraaten 2010), spande wel de kroon. Cervantes’ aankondiging loog qua presentatie er ook niet om. De naam Ayrton Senna had ik nooit eerder gehoord, Cervantes’ naam daarentegen wel, echter zonder ooit een boek van hem te hebben gelezen of een biografie te hebben ingezien. Hij was een Spanjaard, dat wist ik, en ja, de mooie prenten in Don Quichot tijdens mijn kinderjaren, gravures als ik me goed herinner, zijn me bijgebleven.

Dat ik Senna´s naam niet kende en niets van Cervantes wist bleek een doel te hebben. Een bevriende Nederlandse paragnost, Jaap Eising, een van mijn leermeesters, had me ooit verteld dat mijn onbekendheid met historische figuren waarover ik schreef vertrouwen gaf voor de lezers van mijn boeken en geschriften, zeker in tijden van Internet. Ook Lola Flores wist dat, haar levenslange probleem met een van haar benen waarvan ik vooraf een beeld kreeg, werd in geen enkele biografie van haar vermeld. Paragnost Eising wist dat die gedachtegang een van de redenen was waarom overleden historische personen het liefst een medium uit een ander land, een buitenstaander, uitkozen. Dit om een objectieve benadering zoveel mogelijk te waarborgen.

Cervantes en zijn gevolg viel gelijk met de deur in huis door ogenblikkelijk te vertellen dat hij stotterde, dat, zoals ik begreep, stotteren het kernwoord zou zijn in ons contact. Ik houd zeer van dergelijke openingen, geen gedraal, recht op de man af en zonder gêne om voor schut te gaan. Heel on-Spaans eigenlijk. Misschien dat hij zich aan me aanpaste, want ik herkende gelijk mezelf in de manier waarop hij contact maakte. Een van de eerste dingen die ik bij het maken van een nieuw contact bijvoorbeeld vertel, is, dat naast medium ik al een leven lang salsa danser ben, claustrofobisch als de ziekte en goed kan koken. Ingeval ik een dame tegenkom met een glazen oog, het is echt gebeurd, en ik vind dat haar oog haar mooi staat, dan zeg ik gelijk “mevrouw wat heeft u een mooi oog”. Zo maak ik contact, en met succes. Cervantes had zijn huiswerk goed gedaan, hij wist precies hoe hij mij moest benaderen.

Het kernwoord stotteren zette gelijk mijn paranormale machine in werking. Het is, althans bij mij, als bij het zien van de bumper van een willekeurige auto om gelijk te weten welke auto het betreft en waar die naar toe rijdt, of bij de aanblik van een halve oorbel om te weten of te zien welk hoofd er bij hoort en welke hobby´s dat hoofd heeft op zondagavond. Het ene beeld genereert het andere of opvolgende beeld.

Door het woord stotteren werden gelijk de poorten geopend naar de doopceel van Cervantes en vielen allerlei filmbeelden op mijn innerlijk beeldscherm.

 

DE SORITES PARADOX VAN FILIUS

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Nog voordat Cervantes reageert, krijg ik het volgende filmische beeld op mijn extrasensorisch beeldscherm te zien: Een smalle en beweeglijke man wordt door een groep van redenaars en door zichzelf uit hun kring geslingerd.

De man heet Filius, zoals de naam, hoewel Latijns aandoend, mij fonetisch in de oren klinkt. Filius is een van de mannen uit een groepje Griekse redenaars in Athene, Hoewel hij Griek is geeft hij er de voorkeur aan Athener genoemd te worden. Filius is Griek, maar ook geen Griek omdat hij Athener is, hij is redenaar en ook geen redenaar omdat hij paljas is, weliswaar een heel intelligente die als een dubbele eeneiige tweeling zich in het oneindige veld van retorische en filosofische kunsten begeeft. Een tweeling, eeneiig of twee-eiige, bestaan uiteraard altijd uit twee personen. Behalve dan als een van beiden voor of tijdens de geboorte is overleden. Ook Filius mist iets, een anonieme wederhelft die er niet is en nooit geweest is.

Dat wat er niet is maakt meer indruk dan wat er is, het is de permanent lege stoel in het klaslokaal of op het verjaardagsfeestje van Juanita die verhinderd is of besloten heeft niet aanwezig te willen zijn. Het is de gedachtegang van de Amerikaanse Roy Sorensen, filosoof van de absentie. Sorensen vroeg zich in een interview af waarom de afwezigheid op hetzelfde moment van een willekeurige andere persoon [Ernest Hemingway, Bill Clinton, Jennifer Lopez of desnoods Donald Duck] niet voelbaar is (Sorensen 2007). Tenslotte ontbraken die eveneens op het moment en de plaats toen Juanita er behoorde te zijn.

Eén van de ready-mades uit de Dadaïstische periode van Marcel Duchamp bestond uit een reproductie van de Mona Lisa. Hierop voorzag hij al tekenend de Mona Lisa van een snor. Op een andere ready-made liet hij de snor achterwege en noemde het werk Rasée [geschoren]. (Duchamp 1941). Daarmee vroeg hij zich in een epistemologische soort sorites paradox af waar de snor van de Mona Lisa gebleven was. De vraagstelling behelsde niet dat de (oorspronkelijke) Mona Lisa een snor had gekregen, maar dat op het schilderij altijd een snor had ontbroken (Agence France-Press 2017); dat wat niet aanwezig was maar altijd had bestaan. Het afwezige kan zich met kracht manifesteren.

Het afgesneden oor van Vincent van Gogh is meer in ons collectieve beeld aanwezig dan zijn niet afgesneden oor (Bataille 2011). Tenslotte heeft niemand van onze generatie zijn afgesneden oor ooit gezien.

Roy Sorensen is als professor verbonden aan Department of Philosophy, Washington University, taalfilosofie, epistemologie en metafysica. Als wetenschapper begeeft hij zich op het terrein dat ik specifiek tot de metafysica reken, en specifiek tot de paragnosie. Zien is naast het resultaat van kijken, het lezen wat er ogenschijnlijk niet staat, het lezen tussen de regels, maar ook het zien in vorige levens. De stilte in een gesprek spreekt boekdelen. De spatie, het zogenaamde niets tussen de woorden, het leesteken van het niets, is alles om de boodschap van woorden uit te lijnen.

Avant-gardistisch musicus John Cage borduurde voort op Eric Satie maar ook op Anton Webern, was homoseksueel Boeddhist en anarchist. Hij componeerde het beroemd geworden stuk 4’33” in 1952, dat bestond uit een ogenschijnlijk geluidloze compositie met een lengte van 4 minuten en 33 seconden, verspreid over 3 delen. De musici van het orkest speelden niet en ondergingen de gecomponeerde stilte die bestond uit de ‘muzikale’ geluiden van het moment zoals de kuch en een enkel geritsel of gerochel uit het publiek (Cage 2002). In een epistemologische sorites paradox van het type Sorensen liet Cage van zich ‘horen’.

Horen kan auditief waarnemen zijn van de stilte vol van onhoorbaar geluid, zoals de telepathische communicatie van de eerste ‘primitieve’ mens uit de tijd dat de klinkers nog in de taal geboren moesten worden en medeklinkers nog opgeborgen waren in een voorgeborchte dat miljoenen jaren later in Twitter zou uitmonden.

Filius, en daarmee ook Cervantes, is Sorensen ten voeten uit, en omgekeerd. Met te veel Sorensen in je hoofd kan je wel gaan stotteren, dat weet Filius en ook Cervantes als geen ander.

Terwijl ik schrijf kijkt Cervantes over mijn schouder mee, heel amicaal, zonder te weten hoe het verhaal zich verder zal ontpoppen. Hij houdt intens van taalfilosofie en met Sorensen heb ik hem geraakt, midden in de roos geschoten.

We richten het woord nu meer direct naar Cervantes. Taalfilosofie is boeiend, maar we hebben nu ander werk te doen. De regressie van Cervantes naar een vorig leven als Filius is in aantocht.

Regressies naar vorige levens met overledenen, zo heb ik jarenlang ervaren, blijken een andere structuur en dynamiek te hebben dan met levende personen. Gedesincarneerde ‘cliënten’, overledenen, reageren gemakkelijker, uitgebreider en langer op gestelde suggesties en vragen. De paranormale golflengte waarop de post mortem-regressie via channeling wordt geënt, geeft meer ruimte en gelegenheid voor een uitgebreider verslag van ervaringen dan meestal het geval is bij levende personen. In de immateriële wereld kan het persoonlijk historisch archief van een overledene ook sneller worden ontsloten dan van de levende die dagelijks kluiten grond aan zijn voeten heeft.

M: Geachte heer Miguel de Cervantes, met uw goedvinden ga ik u vanaf dit moment tutoyeren.

In het beeld dat na je statement over stotteren ik nabij de helling kreeg, zag ik dat de Griekse redenaar, Filius genaamd, uit de kring van vrienden vloog. Het beeld over deze redenaar uit Athene kon gemakkelijk worden waargenomen omdat Filius, althans zijn geest stammend uit de Griekse incarnatie, de trouwe metgezel was gedurende Cervantes’ hele leven. Je droeg Filius nog bij je toen je me benaderde bij de helling. Het is het deel in je dat tijdens je leven als Cervantes, al lispelend als woordkunstenaar, naar de juiste woorden zocht en nieuwe woorden creëerde om zaken te definiëren en die hardop uitprobeerde.

M: Het is dat deel in je, Filius genaamd, waarop ik door regressie je nu op wil aansluiten. Ik tel tot vijf waarna Filius zich manifesteert. Een, twee, drie vier, vijf

Cervantes: Stilte.

Cervantes: Dat gevoel was altijd al in mij, ik wist niet dat het Filius heette en dat het misschien een ander of vorig leven van mij was.

M: Bevond dat gevoel, dat Filius-gevoel, zich permanent in je?

Cervantes: Welhaast, ik heb er nooit bij stilgestaan, maar als ik eerlijk ben, niet de hele tijd.

M: Op welke momenten het meest?

Cervantes: Stilte.

Cervantes: Als ik sprak en schreef, op zoek om de duizendvoudige werkelijkheid van ons bestaan in woorden te vangen. Buiten die perioden was er wel minder Filius in mij, tijdens gebeurtenissen die zich afspeelden in het meer dagelijkse leven.

M: Het dagelijkse leven?

Cervantes: Ja, mijn leven buiten schrijven en spreken, zoals aan de tafel voor een maaltijd, wanneer mijn gedachten niet draaiden om taal en overdracht, als ik stil was in mijn hoofd.

M: Laat de Filius in je neerdalen, de Filius ten tijde van zijn leven als Filius.

Cervantes: Die Filius voelt anders aan, is niet helemaal gelijk met de Filius in Cervantes.

M: Ga dan nu naar het moment dat je je helemaal Filius voelt. Een, twee, drie, vier, vijf

Cervantes: Ik ben nu helemaal Filius, maar het is vreemd.

M: Vreemd?

Cervantes: Ik ben nu Filius, maar het lijkt of ik minder Filius ben dan ik in Cervantes ben.

M: Ga door.

Cervantes: Ik bevind me tussen redenaars en ze mogen me niet. Filius de redenaar stottert en ik wordt uitgelachen. Ik heb te weinig woorden voor al datgene wat zich in me bevindt uit te dragen, er is veel kennis in mij, misschien wel te veel.

M: Waarin verschilt de Filius in Cervantes met Filius in Griekenland.

Cervantes: Lange stilte.

Cervantes: Dat is niet eenvoudig precies te duiden. Als de Griekse redenaar Filius heb ik te weinig woorden om mijn vele gedachten weer te geven, ik ga dan stotteren en krijg koppijn. Filius in Cervantes gaat daarom op zoek naar vele duizenden woorden die de echte Filius nog ter beschikking had en die hem kunnen helpen niet meer opnieuw belachelijk gemaakt te worden. Angst, en ten slotte wil hij zelf geen Don Quichot worden. Don Quichot is dan ook gebaseerd op mijn leven als Filius de redenaar, een autobiografische zelfreflectie van de subpersoonlijkheid.

M: Okay, we gaan dan nu naar een episode in het leven van redenaar Filius waarbij je te weinig woorden ter beschikking hebt en als gevolg belachelijk gemaakt wordt.

Cervantes: Ik moet bijna overgeven en ben erg misselijk. Ze hebben me eruit gegooid, eigenlijk heb ik mezelf eruit gegooid.

Zojuist heb ik het woord gevoerd, zoals zo vaak. De andere redenaars uit de Atheense kring begrijpen niet wat ik betoog. Buiten een ondubbelzinnige satire begrijp ik ook niet helemaal wat ik zeg, wel bij benadering, en wil verlost worden van de groep… en van mezelf.

M: Filius, ga naar het moment dat je te veel kennis in je hoofd hebt terwijl je een redevoering houdt en vertel waar je je bevindt.

Cervantes: Het is op een middag. Ik ben dodelijk vermoeid, de hele ochtend zijn er redevoeringen geweest, politieke debatten, ditmaal over het wel en wee van Athene. We zijn een groep elkaar aanvullende retorici die op verzoek beschikbaar zijn. Ondanks vermoeidheid houd ik opnieuw een redevoering, ik probeer te anticiperen op mijn voorganger en houdt gelijktijdig rekening met tegenargumenten die na mij in stelling kunnen worden gebracht.

Mijn hoofd werkt stroef en ook weer niet. Het is meer dat gedachtegangen en ook slimme humor te snel en te veel achterelkaar in me opkomen en ik te weinig tijd heb er woorden aan te kunnen verbinden. De laatste tijd stotter ik steeds meer, het spreken in het openbaar gaat steeds moeilijker. Mijn collega´s retorici hebben het tijden geleden al opgemerkt en me er al vaak over aangesproken, echter zonder resultaat.

Mijn Atheense collega´s zijn het zat, de filosofie van de hak op de tak en verbonden aan overtuigende elementen van alledaagse humor. Het is voor hen niet meer te volgen en ook niet verfijnd genoeg. Het triviale, het banale van de retorische nar in mij is nou precies de vorm waarin ik mijn redevoering vaak wil gieten. Ze willen me niet meer. Ook ik ben vertwijfeld en wil van de druk af te moeten presteren op een wijze die mij niet meer past. Overigens hebben mijn vrienden wel een beetje gelijk. Het is steeds meer een warboel in mijn hoofd, een kluwen aan mogelijkheden en ik weet niet hoe dat komt.

Voor de cirkel van voorheen bevriende retorici ben ik een afgedwaald schaap. De laatste tijd werd ik steeds meer belachelijk gemaakt, mijn redeneerkunsten bekritiseerd, me neergezet als een redenaar die in de taal te weinig woorden, bedoeld wordt gedistingeerde woorden, tot zijn beschikking heeft.

Vooral die opmerking grieft me diep en zal ik tot aan mijn dood met me meedragen.

M: Filius, concentreer je op die vele gedachten en laat ze allemaal in je opkomen. In welk deel van je hoofd concentreren zich die vele gedachten?

Cervantes: Het is in het rechter gedeelte van mijn hoofd aan de voorkant, op de grens van binnen en buiten het hoofd.

M: Filius, vertel, is het meer binnen of buiten je hoofd?

Cervantes: Het is vreemd, het is beiden. Echter, alsof de gedachten zich eerst buiten mijn hoofd bevinden om dan “in” mijn hoofd plaats te nemen.

M: Is er een verschil tussen de gedachten als ze zich nog buiten het hoofd bevinden en als ze in het hoofd hebben plaatsgenomen. Hebben ze dezelfde kleur, dezelfde vorm, hetzelfde geluid wellicht, of zijn ze duidelijk aan elkaar verschillend?

Een internationaal politicus annex bestuurder uit de Cariben, bekend met grote stakingen die ambtelijk op zijn weg kwamen, interviewde ik in het verleden met een paranormale techniek, een mix van lichte hypnose verweven met enkele regressieve elementen. Na een introductie vroeg ik hem op basis van welke inzichten hij als bestuurder een grote staking in goede banen had weten te leiden en een dreigende oproer had beteugeld. Dat hij ‘geadviseerd’ werd door een stem buiten zijn hoofd was mij al duidelijk nog voordat ik de vraag stelde. Echter zoals zovele personen was hij zich niet bewust van de stem die hem steevast had geadviseerd, en hij antwoordde naar eer en geweten dan ook: ‘Gewoon intuïtie of ingeving, het kwam in me op’.

Ik vroeg hem een moment terug te gaan in de tijd en te ‘herinneren’ waar dat gevoel (van de verkregen/ontstane informatie wat te doen) zich in zijn lichaam had gemanifesteerd.

‘In mijn hoofd’, zo antwoordde hij.
‘Links of rechts’, zo vroeg ik.
‘Rechts’, antwoordde hij.
‘Was de info reeds in uw hoofd, of kwam het naar uw idee van buiten?’
‘Van buiten’, vervolgde hij.
‘Zag u de informatie of ‘hoorde’ u deze?’
‘Ik hoorde deze geluidloos in mijn hoofd, zoals men in de herinnering een fuga van Bach of een vlot deuntje kan horen’.
‘Hoe vaak had u deze vorm van informatievoorziening in uw leven als bestuurder?’
‘Altijd als ik innerlijk een vraag stelde naar aanleiding van een op handen zijnde bestuurlijke crisis’.

De internationale politicus hoorde zoals elk ander mens dus stemmen, was niet schizofreen, niet dronken of onder invloed van beroerde drugs. Hij deed qua voice hearing niet onder voor de pastoor die met God praat of de imam die met Allah het laatste nieuws doorneemt.

De vraag is: welke stem binnen een persoon is de stem van de eigen master en welke niet en hoe willen we ons verhouden tot deze stem of stemmen? Een vraag die belangrijk is in de moderne tijd maar dat ook reeds in het oude Griekenland was. Vaak worden beslissingen genomen en wegen uitgestippeld op basis van gevoelsinformatie die afkomstig is van anderen, van geesten, soms bonafide soms malafide geesten. Een leven van een individu kan daardoor ingrijpend beïnvloed worden, maar ook een cultuur of complete samenleving. De geesten die profeten van islam en christendom influisterden hebben dan ook heel wat uit te leggen.

Cervantes: Ik ervaar nu duidelijk het verschil. Dat wat in mij komt is niet hetzelfde wat zich al in me bevindt. Het buitenste heeft een andere tint, is waziger ook, minder krachtig en krijgt pas kleur als het zich in mijn hoofd mengt met mijn gedachten. Ik ben de kleurgever aan wat van buiten komt, de kleurgever aan degene of datgene dat zelf geen kleur heeft. Nadat het buitenste bij me binnen is gekomen, neemt het de regie over. Ik ben dan alleen nog maar de huurder van mijn eigen theaterzaal.

M: Zo dadelijk bevindt je je als redenaar in een situatie dat gedachten van buiten jou in je gaan komen.

Cervantes: Ik ben aan het spreken, ik weet wat ik moet zeggen tegen de toehoorders.

Ik weet hoe ik het betoog kan opbouwen, welke middelen van overtuiging te gebruiken zoals we dat ‘in Athene in de school van de ouden, de retorici’, geleerd hebben.

Plotseling word ik, zoals ik ook in het verleden ervaarde, overspoeld door gedachten die van buitenaf in me willen komen.

M: Accepteer je dat of verzet je je er tegen?

Cervantes: Nee, ik verzet me niet, niet op dit moment. De gedachten, eigenlijk ideeën, die in me willen zijn op dit moment erg welkom. Ze lijken op mijn eigen gedachten en ideeën en de betogen worden veelzijdiger, sterker, en… ook met enige humor. Het probleem is wel dat steeds meer bronnen zich bij mijn hoofd aanmelden.

M: Vind je het nog steeds fijn?

Cervantes: Ja, en ook nee moet ik toegeven. Door de vele nieuwe gedachten en ideeën van buitenaf kan ik me in eerste instantie meer uitgebreid uitdrukken. Gelijktijdig word ik bedolven onder een hoeveelheid informatie en suggesties die binnenstromen. Tijdens redevoeringen is de aanvoer zo groot dat al pratende ik niet meer kan kiezen uit wat tot me komt. Ik begin daardoor heel erg te stotteren.

Een van de nieuwe ideeën komt van een humoristisch-satirische bron die zich nabij mijn hoofd bevindt. De bron lijkt op een mens, maar dan zonder lichaam. De humoristische bron is een hij, zo komt me voor. Het is geweldig gereedschap wat ik krijg aangereikt. Daarmee kan ik de duffe en gepolijste sofistische betogen van de andere redenaars relativeren. De steeds terugkerende alledaagse satirische humor valt niet in goede aarde, het wordt ervaren als beneden de stand van een Atheense retoricus. Het verzet tegen mij groeit dan ook gestaag.

M: Verzet?

Cervantes: Ja, de retorici die me uit hun midden willen verwijderen doen dat door me belachelijk te maken. Ik laat niet merken dat ik het vreselijk vind. Niemand kan aan me zien hoe ik er onder lijdt.

M: Ga door Filius.

Cervantes: De vernederingen worden groter in aantal en heviger naarmate ik meer stotter en naarmate ik de juiste woorden niet meer kan vinden om uit te drukken wat ik bedoel.

Het schamper lachen nadat ik als nar humor gebruik als middel om te overtuigen, een van de wezenlijke kernen van retorica, treft mij diep.

Het stotteren wordt heviger naarmate ik mijn voordrachten wil larderen met de suggesties van de redenaars buiten mijn hoofd, de wereld van de ideeën, die zich elke dag presenteren om in mijn hoofd te plaats te kunnen nemen.

Nooit eerder heb ik me zo beroerd gevoeld. Na enige maanden moet ik besluiten me uit de groep te verwijderen en zal in de ogen van de anderen een zonderling zijn. Ik moet mijn eigen weg gaan en het verlies van belangrijke contacten voor lief nemen. Ik maak het mij en mijn confraters gemakkelijk. In een waan gedreven door exaltaties en enthousiasme tijdens een stotterend betoog kies ik als overtuigingsmiddel een satire uit die alle perken te buiten gaat. Ze zullen me uit hun groep moeten verwijderen en dat is wat ik wil.

Het plan sorteert effect. Nadat ik het betoog heb beëindigd en naar de voorhang loop waaronder de collega´s hebben plaatsgenomen, keren allen mij de rug toe. De 14 retorische ruggen in een smetteloze rechte rij kijken mij vernietigend aan. Mijn toekomst zal vanaf heden een andere horizon kennen.

 

DE JEUGDJAREN, HET KIND FILIUS

De therapeutisch-technische structuur van een regressie naar vorige levens hangt af van het object van gekozen belangstelling. Het willen intunen op een setting van algemeen historische aard vraagt om een andere benadering dan een de specifieke belangstelling van een dansleraar naar: de oorsprong van zijn passie voor dans.

Een cliënt kan met de juiste techniek in no time, althans in mijn praktijk, gekatapulteerd worden naar het relevante vorige leven dat energetisch verbonden is aan zijn of haar zoekopdracht. De praktijk leert dat storingen en ziekten zich vaak in een drieslag laten zien. Als stap een de eerste herinnerde ervaring van de storing, vaak in de kindertijd, vervolgens in retrogradegang als stap twee de prenatale ervaring bij moeder in de buik en uiteindelijk als stap drie het vorige leven of meerdere vorige levens die de oorsprong van de storing in zich dragen.

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Nog voordat Cervantes reageert, krijg ik weer een filmisch beeld op mijn paranormale scherm: Een kind, een paranormaal jongetje die wetenschapper wil worden op zoek naar insecten.

M: Filius, we spoelen je levensfilm verder terug. Op tel vijf kom je aan op een moment in je leven dat je voor het eerst gedachten krijgt die buiten je hoofd lijken te ontstaan.

Cervantes: Ik ben kind [vier jaar, verduidelijkt Cervantes]. Er is iets vreemds, ik bemerk dat er witte platte slierten dons langs mijn hoofd drijven. Maar het is geen dons want er zijn geen vogelnestjes in de buurt. En als ik mijn hoofd naar rechts of links beweeg gaan de kussentjes dons gewoon met mijn hoofd mee, alsof ze vast zitten aan mijn hoofd terwijl ze niet vastzitten..

M: Ga verder Filius

Cervantes: De witte kussentjes dons wijzen me de weg.

M: Waar voeren de kussentjes je naar toe?

Cervantes: Naar kleine diertjes die ik altijd zoek om in een doosje te doen.

M: Aha, welke diertjes zoek je en hoe vind je ze door de kussentjes?

Cervantes: Ik zoek kleine beestjes om te bestuderen, net als papa die ook altijd dingen aan het bestuderen is. Soms zitten ze onder bladeren, stenen of in diepe spleten in de grond.

Op het moment dat ik het kind Filius, een jongetje, de reïncarnatieve voorloper van Cervantes, wil vragen hoe de donsjes hem de weg wijzen, bemerk ik dat ik tegen Filius praat alsof het een meisje is in plaats van een jongen. Hij, de jongen, zo zie ik, draagt ook kleding die aldaar alleen door meisjes wordt gedragen. In een opvolgend beeld zien we dat zijn ouders met reden hem kleding voor meisjes laat dragen. Zijn ouders willen hem vrijwaren van en beschermen tegen bestaande invloeden die hem in de armen zouden kunnen drijven van scholen en leraren die het krachtige en ideale lichaam centraal stellen. Filius zelf vindt de kleding fijn en is zich als kind vele jaren niet bewust dat hij in de kleding loopt van de andere sekse. Het zal evenwel van invloed zijn op zijn verdere ontwikkeling als Filius de adolescent, Filius de volwassen en wellicht ook op de opvolgende incarnatie van Filius, op Miguel de Cervantes.

In principe is homoseksualiteit vrijwel altijd terug te voeren tot een geheel of gedeeltelijk beleefd homoseksueel leven in een vorig leven of een reactie op gender gerelateerde ervaringen. Naast persoonlijk ervaren positieve of negatieve omstandigheden zoals dat ook bij heteroseksuele relaties het geval is, zijn sociale acceptatie in een bepaalde culturele periode, of afwijzing en vervolging grootheden die meespelen.

De homoseksuele ondergrond kan als bij elke gender gerelateerde thematiek een verschillende oorsprong hebben. Vooral bij paranormaal gevoelige personen die informatie van externe aard ontvangen, helder zien, helderhoren, helder voelen, kunnen obsessies meespelen (Ferreira 1988), obsessoren die via het zenuwstelsel van een persoon infiltrerende gedachten en gevoelens in de zielentuin van een persoon poten.

Vooruitlopend op enkele conclusie aan het einde van het hoofdstuk mag gezegd worden dat Cervantes´ homoseksuele tendensen voor een belangrijk deel zijn oorsprong vinden in zijn leven als Filius de Athener.

M: En hoe weet je dan hoe je ze moet vinden?

Cervantes: Nou heel eenvoudig, ik hoor een gezoem bij mijn hoofd en de slierten donsjes wijzen me de weg. Als het gezoem rechts bij mijn hoofd is buigen de sliertjes ook naar rechts en weet ik welke kant ik op moet gaan. Zo kom ik steeds dichter bij de plaats waar een diertje zit. Op het laatst als ik dichterbij kom moet ik het heel stilletjes doen, anders horen ze me en vluchten ze weg. Ik heb al heel veel diertjes gevangen.

M: Welke diertjes zijn het die je vangt?

Cervantes: Vlinders, wormen, kevertjes en ander diertjes waarvan ik niet weet hoe ze heten. Sommigen zijn heel klein.

M: Filius, kunnen de slierten donsjes je ook helpen met andere dingen?

Cervantes: (Stilte, denken). Ik denk het wel. Ik geloof dat die donsjes me helpen als ik niet weet hoe ik iets moet doen, bijvoorbeeld hoe ik de diertjes het beste kan bewaren. Daardoor denk ik, zo denk ik nu, ineens aan dingen die ik nooit eerder dacht.

M: Filius, je bent nog steeds kind, alleen nu een paar jaartjes ouder. Zijn de slierten donsjes nog vaker in je nabijheid?

Cervantes: Jazeker, die zijn nu altijd bij me. Ik let er zelfs niet meer op. Het is gewoon en het gaat vanzelf.

M: Wijzen ze nog de weg?

Cervantes: Ja, maar de donsjes lijken nu meer ideeën te zijn.

M: Aha, ga door Filius, welke soort ideeën zijn het?

Cervantes: Nou, het is zo, ik ben nu op een school, een denkschool, onderricht. We worden geleerd om te praten tegen andere mensen. Niet gewoon praten maar overtuigend praten zoals ze dat noemen. Dat is soms heel moeilijk.

M: Wat is er moeilijk aan?

Cervantes: Wat ik leer is niet hoe ik het wil, het is vaak niet goed hoe het moet.

M: Hoe bedoel je?

Cervantes: We moeten anderen overtuigen, het is het eerste en belangrijkste gedeelte van drie dingen waarin we onderwezen worden. Dat probeer ik steeds te doen maar de oudere redenaars die ons onderwijzen vinden het meestal niet goed. Maar ik zie dat ik de mensen die gekomen zijn om te luisteren wel overtuig, want die lachen heel mooi om wat ik zeg. Niet uitlachen maar echt gewoon lachen.

M: Hoe overtuig je de mensen tijdens het onderricht dat je krijgt?

Cervantes: Met grappige soms sinistere voorbeelden uit het dierenrijk, probeer ik degenen die luisteren te overtuigen van het onderwerp van die dag.

M: Sinister?

Cervantes: Ja, of omineus, dat betekent dat iets een beetje onheilspellend is, dreigend. Dreigend wanneer de haan op het hennetje springt om te paren, met zijn klauwen haar in zijn greep houdt en tegen de grond drukt. Ik verzamel woorden, synoniemen heet dat, van woorden met een vergelijkbare betekenis, zoals ik vroeger kleine diertjes verzamelde. De witte donsjes nabij mijn hoofd wijzen me opnieuw de weg.

M: Aha, Filius, op welke manier wijzen de sponsjes de weg naar nieuwe woorden, naar synoniemen.

Cervantes: Dat is heel gemakkelijk, ik heb een tijdje geleden ontdekt dat door de sponsjes ik woordklanken in mijn hoofd krijg die ik nooit eerder hoorde. En steeds kort daarna hoorde ik een woord met dezelfde klank ergens in mijn omgeving, thuis of op de school die voor jonge stoute redenaars niet welgevallig is. Steeds nadat ik een woordklank voor het eerst hoorde, werd het woord dat er op leek een paar keer gebruikt in mijn omgeving en steeds in een iets andere toepassing. Zodoende wist ik welke betekenis het woord had, en wat men noemt, een synoniem was voor een woord dat ik al kende.

Deze truc herhaald zich erg vaak, bijna elke dag, een klankwoord dat in mijn hoofd komt en de herhalingen van het echte woord thuis of tijdens het onderricht. Zo leer ik vele nieuwe woorden, want om me heen zijn mensen die veel woorden in zich dragen en niet alleen papa en mama. En steeds als ik nieuwe mensen ontmoet, woord-mensen zoals de redenaars, leer ik opnieuw bij. Maar het duurt nog even voordat ik net zoveel nieuwe woorden heb als de diertjes die ik verzamelde.

 

HALVE STOORZENDERS EN HELE OBSESSOREN

Mensen worden ten goede en te kwade beïnvloed, door zichzelf, door een deel van zichzelf stammend uit een vorig leven, door anderen met een lichaam zoals gewone mensen dat hebben en door anderen die geen lichaam meer hebben entiteiten, gedesincarneerde personen. Dat is het leven, zo ontstaat door kruisbestuiving cultuur. De invloedssfeer van dode en levende wezens beperkt zich als bij een ijsberg niet alleen tot dat wat zich boven water bevindt.

Obsessoren die als stoorzender kunnen werken bij de ontwikkelijking van de mens doen vaak aan verkleedpartijen. Meestal is de obsessor bij een persoon niet goed waar te nemen, zelfs niet, vooral moet worden bedoeld, door een geïnstitutionaliseerde professional als psycholoog of psychiater. Bij obsessies wordt vaak gedacht aan beelden van zaterdagavondfilms van een goedkope zender waarbij pathetische uitdrijvingen plaatsvinden die de zaterdagavond weer tot een kijkersfeest moeten maken. Obsessoren zijn niet gek en verschuilen zich verkleed als doorgewinterde Oostblok of Westerse spionnen uit films van James Bond, overigens ook op Zaterdagavond. Als een kind door de obsessor bezet wil worden kunnen ze zich ‘verkleden’ als kip of slierten witte donsjes.

Ongemerkt kunnen obsessoren het leven vergallen van aardebewoners. Vooral als deze toegankelijk zijn, receptief, door het hebben van een paranormale constitutie, door ziekte van het zenuwstelsel of door misbruik van alcohol, drugs of medicijnen. Een obsessie is te vergelijken met een van de beroerdste computervirussen die zelfs de website van een multinational ongemerkt kunnen platleggen. Een obsessor of een slim computervirus wordt niet ontdekt door waarneming aan de buitenkant, maar door wat deze bewerkstelligen, de storingen, de shit, zeg maar.

Een keurig uitziende Spaanse, Nederlandse of Amerikaanse burger kan onzichtbaar een obsessor in zich dragen zoals een patiënt onzichtbaar door het coronavirus besmet kan zijn. De obsessor kan door verschillende oorzaken, waaronder karmische, zich aanhechten aan een levende persoon waar hij in het verleden een band mee had. Daarbij komt het vaak voor dat de aanhechting plaats vinden op een specifieke leeftijd.

Een Braziliaanse vrouw ervaart via mij als medium een vorig leven in Frankrijk als Joodse verzetsstrijdster tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na te zijn gearresteerd loopt haar kompaan over naar de nazi´s. Beide belanden in eenzelfde Zuid-Frans concentratiekamp, hij als kampbewaker, zij met haar twee geadopteerde kinderen als gedetineerden. Er ontstaat een seksuele relatie tussen hem en haar die zich laat definiëren als macht versus onmacht en de opwinding die dat op dat moment geeft.

De vechtrelatie zet zich na haar dood voort in haar nieuwe incarnatie als Braziliaanse psychiater en wetenschapper door met een man te huwen die als twee druppels water lijkt op de kampbewaarder uit het Zuid-Franse concentratiekamp, zowel lichamelijk als mentaal. Ze laat zich uiteindelijk scheiden van de man waar ze een gruwelijk huwelijk vol seksuele horror mee beleefde. Na minutieus onderzoekt blijkt haar ex-man niet de geïncarneerde kampbewaarder te zijn, maar een man die tijdens zijn pubertijd werd bezet, geïncorporeerd, door een obsessor, door de (onbelichaamde geest van de) kampbewaarder.

Haar ex-man leefde en handelde tijdens het gehele huwelijk in opdracht van de geest van de kampbewaarder. In de vakliteratuur (Ten Dam 2013) wordt vermeld dat aanhechting door een obsessor vaker plaatsvindt op een specifieke leeftijd. De pubertijd waarbij hormonale processen de dienst uitmaken en er veranderingen plaatsvinden in de werking van het zenuwstelsel, bijvoorbeeld in het geval van de ex-echtgenoot van de Braziliaanse psychiater, leende zich goed voor de obsesor om bezit te kunnen nemen van een ogenschijnlijke vreemde. Dat er karmische verwikkelingen zijn geweest tussen de kampbewaarder en de ex-echtgenoot van de Braziliaanse spreekt voor zich.

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Opnieuw een buitenzintuiglijk filmbeeld dat anticipeert op de regressie: Een jong volwassene, een hoogintelligente performer die de confrontatie niet schuwt.

M: We spoelen door, je bent een volwassen vrouw, pardon volwassen man, je opleiding bij de oudere redenaars heb je afgesloten. De verzameling woorden is het veelvoudige in aantal van de diertjes die je verzamelde. Op tel vijf stopt je levensfilm op het moment dat voor de eerste keer na je opleiding je alleen een betoog houdt. Een, twee, drie, vier, vijf

Cervantes: Ik ben zenuwachtig. Na mijn opleiding, o zo lastig vaak en vervelend, is dit betoog geen oefening meer. De ogen zijn nu allemaal op mij gericht, hoe ik het er vanaf zal brengen. Ik moet een jonge vrouw verdedigen die een zaak heeft met het stadsbestuur van Athene en mijn hulp als redenaar nodig heeft. Ik moet haar zaak bepleiten.

Ik denk dat ik alles geleerd heb, meer dan van een jonge redenaar verwacht mag worden. Vele woorden ken ik, vele zinswendingen en logische verbanden. In de terminologie van Cervantes’ tijd noemen de oudere Atheense redenaars mij hier schertsend: ‘Filius, de wandelende encyclopedie’. Ik ken meer woorden dan er bladeren aan een vijgenboom zitten. De eerste tijd na de opleiding heb ik nog de moeilijkheid wanneer welke van de duizenden woorden te gebruiken. Daardoor zie ik er tegenop als redenaar op te treden.

M: Aha, vindt je er een oplossing voor?

Cervantes: Ja, dat wel. Na enige tijd went het om te kiezen uit de vele woorden die ik verzameld heb, maar het blijft wel moeilijk. Een andere oplossing om mijn betogen als redenaar te versterken wordt me spoedig aangereikt. De slierten dons rond mijn hoofd zijn grote slierten geworden en een groot donsje krijgt het hoofd van een clown. Ik begrijp de weg die me getoond wordt. Als ik er naar kijk moet ik automatisch lachen. De boodschap van de clown komt overeen met wat ikzelf al langer wil, het larderen van mijn optredens als jonge redenaar met humor en satire.

De dagen erna zie ik steeds de lachende clown met satirische lach in het witte kussentje nabij mijn hoofd. Ik weet wat me te doen staat, het kussentje is nu mijn leidraad, mijn nieuwe leraar. Aan de overtuigingsstrategie van mij als redenaar kan ik naast vele woorden nu ook humor en satire toevoegen.

De eerste oefeningen gaan echter nog niet zoals ik het wil, ik raak snel vermoeid maar zet door. Humor en satire is in onze kringen niet erg gebruikelijk als middel. Niet alleen mijn collega´s kijken vreemd op, ook de personen die ik bijsta zoals de vrouw in de zaak tegen Athene kijkt bedenkelijk. Het maakt me onzeker en vermoeidheid slaat toe, mijn hoofd bonkt, ook slaap ik slecht en soms helemaal niet.

M: Filius, waardoor word je vermoeid?

Cervantes: Terwijl ik een betoog houdt, zoekend naar de juiste woorden en naar manieren om met humor en satire het publiek te bereiken, word ik overstelpt met nieuwe indrukken. De clown in het grote kussentje blijft steeds maar nieuwe gezichten trekken om me nieuwe manieren te laten zien tijdens het betoog. Het put me uit, ik word misselijk en begin hevig te stotteren dat niet meer ophoud te bestaan.

Van ‘Filius, de wandelende encyclopedie’ verwordt ik langzaam tot ‘Filius de stotterende redenaar’.

Het gezicht van de clown in het grote kussentje is nu de hele dag bij me. En ´s nachts trouwens ook. Ik vind het fijn en ook niet fijn. De overtuigingsstrategie door humor en satire verfijn ik, echter met wisselend succes. Mijn collega´s beginnen me te mijden, de aantallen personen die ik zou kunnen bijstaan worden stilaan minder terwijl het clownsgezicht in het kussentje elke dag grimmiger kijkt.

M: Ga door Filius

Cervantes: De humor voer ik op, de satire ook. Ik hoop daardoor dat het gezicht van de clown weer gaat lachen. Hoe ik ook probeer de clown in het kussentje het naar de zin te maken, niets helpt. Steeds meer verdwijnt het clownsgezicht uit het kussentje. Elke dag kijk ik of het gezicht weer te zien is en vooral of het gezicht weer vrolijk is.

Mijn leven wordt bepaald door het kussentje, door dat wat er in het kussentje zit, het clownsgezicht met de bittere trek om de mond. Ik voel me een slaaf en kan aan niets anders meer denken dan aan het kussentje en wat het kussentje wil, dag en nacht. Het kussentje is de baas over mij

M: Boek je nog succes met je redevoeringen, je betogen in dienst van mensen die je er om vragen?

Cervantes: Het is opnieuw ja en nee.

M: Meer ja of meer nee?

Cervantes: Meer nee. Ik raak verstrikt in mezelf, ik kan de woorden die zich in mij bevinden niet meer vinden. Daarom gebruik ik hoofdzakelijk grappen, grappen die ik soms zelf niet begrijp en die zich galmend over de hoofden van de toehoorders verspreiden in de ruimte. Ik ben niet meer Filius.

M: Waar is Filius?

Cervantes: Dat weet ik niet meer en wie ben ik?

M: Cervantes, ik neem je mee naar een groot zitkussen hoog in de lucht. We zullen naast elkaar gaan zitten in alle rust. Je gaat zo dadelijk zien wat er beneden met Filius gebeurt. Een, twee, drie, vier, vijf

Cervantes: Ik zie Filius, het gaat niet goed met hem. Hij is zijn bevriende collega´s aan het verliezen en ook zichzelf. Zonder het zich te realiseren is Filius in de ban van het kussentje en wat het kussentje wil. Zijn goedbedoelde grappen als toevoeging op de overtuigingsstrategieën ethos, pathos en logos, hebben een averechts effect. Filius wil de retorica met onmiddellijke ingang hervormen maar slaagt er niet in. Vooralsnog betaald hij er voor met zijn gezondheid en zijn aanzien als jonge redenaar.

M: Cervantes, wat zou je als Cervantes tegen Filius willen zeggen?

Cervantes: Filius, houd moed. Er komen betere tijden!

 

FILIUS DE REDENAAR DIE STOTTERDE

In regressie naar zijn vorige leven als Filius kan Cervantes de ellende van Filius gemakkelijker waarnemen vanuit een perspectivisch meer comfortabele positie, een groot zitkussen ergens in de lucht. Een chique chaise longue of beukenhouten keukenstoel op afstand zou trouwens ook kunnen. Het geeft een cliënt de gelegenheid om emotioneel afstand te nemen en als andere deelpersoonlijkheid het tafereel te bekijken.

Als tijdens regressies emoties op enig moment voor de cliënt te hevig of bedreigend worden, kan gekozen worden hem deze als toeschouwer te laten zien vanaf een emotioneel veilige afstand, eventueel zelf bepaald. De waar te nemen emoties worden bij herhaling in verdunde potenties aangeboden als ware het een vaccin dat in etappes wordt gevaccineerd, principe homeopathische verdunning. Na het herhaald tonen van de emoties kan de cliënt, intussen vertrouwd met de bedreigende beelden, nu zelf rechtstreeks de emoties ondergaan en er van los komen. Dit geldt voor levende cliënten, en ook voor cliënten die overleden zijn.

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Opnieuw een extrasensorisch filmbeeld dat vooruitloopt op de regressie: Een man, in de natuur, maakt denk-wandelingen.

M: Filius, we transporteren je levensfilm verder. Het is enige maanden later sinds je je uit de kring van bevriende redenaars slingerde.

Cervantes: Ik denk, sinds ik me uit de kring liet slingeren, het begrepen te hebben. Ik kan ´s nachts gelukkig weer slapen

M: Wat heb je begrepen?

Cervantes:
De eerste clown, die van het kussentje, was een beetje echt. Hij bleek vanaf het kussentje in me te komen en mijn gedachten te kleuren zoals voor mijn vertrek uit de groep ook de anderen deden. Ik heb me weer teruggevonden en kan ook mijn eigen woorden weer vinden.

M: Welke anderen Filius?

Cervantes: De anderen, ik denk ook satirische clowns, die de laatste maanden met ideeën en gedachten in me bleken te komen. Het waren gedachten van buiten mij die naar binnen kwamen en een andere kleur aannamen, mijn eigen kleur en die me bemeesterden.

M: Waar zijn de clowns gebleven?

Cervantes: Ik heb me van hen ontdaan tijdens de wandelingen.

M: De wandelingen?

Cervantes: Ik maak vele en lange wandelingen, denk-wandelingen, soms gedurende de hele dag, soms ook dagenlang waarbij ik ergens overnacht. In tegenstelling tot mijn betogen als stotterende redenaar voel ik tijdens het wandelen geen druk. Ik kan gemakkelijker overzien welke gedachten en bespiegelingen uit mijzelf komen, welke niet en welke ik toegang geef tot mijn verstand. Tijdens de wandelingen heb ik geleerd het verschil te zien tussen bronnen die me willen domineren en die mij de vrijheid laten.

Tijdens de wandelingen ben ik woordeloos in gesprek met onzichtbare eigenaren van gedachten. Na eerder diertjes, ideeën en synoniemen verzameld te hebben verzamel ik nu gedachten, maar vooraf door mij gefilterd. Het is een nieuwe opleiding met voor het fysieke oog onzichtbare leraren.

M: Wie leerde je het verschil te zien tussen dominerende en niet-dominerende bronnen?

Cervantes: Wie of wat de bronnen zijn weet ik niet exact. Het manifesteert zich als een stem in mijn hoofd die een feilloze filter is gebleken.

M: Hoe wist je dat de stem feilloos was?

Cervantes: Dat heb ik vele keren uitgeprobeerd voordat ik de informatie tot me nam. De stem vertelde dat een wandelaar die ik zou tegenkomen om geldstukken zou vragen, een andere een andere keer om brood, of zelf brood zou aanbieden. De stem ervaar ik als mijn eigen stem, maar niet de hoorbare die uit mijn mond komt. Mijn leven is nu gemakkelijker geworden en ik ben weer heer over mijn eigen stotterende werkzaamheden. Dat maakt het allemaal wat rustiger, zeker om goed te kunnen slapen.

Het slapen wordt wel minder als ik tussen de denk-wandelingen in als redenaar optreed. Het stotteren voert dan als vanouds de boventoon.

M: Wat voel je als je stottert?

Cervantes: Als ik met overgave mijn betoog probeer te houden kan ik moeilijk ademhalen en krijg het benauwd. Er is dan geen lucht voor twee, drie of honderd tongen in mijn mond. Nog steeds struikel ik over de keuzemogelijkheden die ik heb om een zin op honderd verschillende manieren uit te spreken. Het is dan alsof de onbekende clown met de bittere trek om de mond me weer lastig valt.

De moeilijkheid is niet dat ik te veel woorden of zinswendingen ter beschikking heb. Het probleem is dat ik deze het liefste allemaal tegelijk zou willen gebruiken en het liefste in één zin, ook al zou deze de lengte hebben van onze hele kustlijn of van de aarde.

De intentie van Filius om alle woorden te willen gebruiken voor een zin met de lengte van een oneindige kustlijn komt uit de koker van geesten, overleden encyclopedisten en ander gespuis, die belang hebben dat een levende persoon hun hobby realiseert. Vergelijkbaar ook met gefrustreerde ouders die hun zeer jonge dochter uitleveren aan eveneens gefrustreerde turncoaches die het kind moet klaarstomen voor Olympisch turngoud, en… haar rug en leven verwoesten.

Het stotteren van Filius is dus het indirecte gevolg van hobby´s uit de geestenwereld, hobby´s van glimlachende clowns, van verkleedde obsessors.

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Een nieuw cinematografisch fimbeeld gerelateerd aan de regressie manifesteert zich extrasensorisch: Een man en de dood is niet het einde van het bestaan.

M: We spoelen de film naar het einde van het leven. Het is een half jaar voordat je zal overlijden. Een, twee, drie, vier vijf

Cervantes: Ik ben aan het werk, ik ben altijd aan het werken.

M: Werk?

Cervantes: Ik verzamel opnieuw woorden, dat doe ik onder de mensen.

M: Je verzamelt geen gedachten?

Cervantes: Ja, en nee. Jarenlang heb ik consciëntieus gedachten verzameld. Ik veranderde nadat ik op een bijzondere gedachte kwam. Ik ben nu ook ouder, ben heel rustig geworden. Als een mediterende monnik, maar dat ben ik niet, verzamel ik gestaag woorden en bouw ik de grote bibliotheek die in me is verder uit en noteer alles in mijn Atheens Boek-van-woorden. Elke dag voeg ik een of meerdere nieuwe woorden er aan toe.

M: Je levenswerk?

Cervantes: Voordat ik dood ga wil ik het boek afhebben, maar een boek is nooit af zoals ook een leven nooit af is. Ik werk er al vele jaren aan en ontdek dat een leven te kort is om alle woorden op te schrijven. Jaren geleden tijdens de denk-wandelingen ontdekte ik de juiste volgorde: eerst de woorden: het materiaal tot, dan pas de zinnen of de gedachten die voortkomen uit de woorden. Eerst de stenen, de zuilen, dan pas een huis bouwen, twee huizen, een tempel, een bibliotheek. Woorden zijn al hele zinnen. Elk woord is een boek, een bibliotheek, elk woord draagt honderden andere woorden in zich van waaruit het is geboren en is het gevolg van de geschiedenis van een, twee of van duizenden mensen.

M: Waar vind je nu de nieuwe woorden?

Cervantes: Bij de mensen waar ik werk.

M: Werk?

Cervantes: Terwijl ik na de dood van mijn ouders zelf heer ben van ons huis verhuur ik me ver buiten Athene als knecht of bediende voor een andere heer, voor een periode van een aantal dagen, een maand, soms langer. Dan observeer ik degenen die mij omringen, mijn heer zijn gevolg en personeel, in de hoop nieuwe elementen in hun woordenschat te ontdekken. Daarmee wijk ik af van vroegere collega retorici die naar welgestelde families afreizen om zich voor hun kennis overvloedig te laten betalen.

M: Nieuwe elementen?

Cervantes: Soms zijn gebruikte woorden niet nieuw, maar door de positie van het woord in een zin en door de intonatie krijgt het woord een iets andere connotatie en nodigt uit een nieuw woord te scheppen, een synoniem, die een scherpere waarde is van datgene, een ding of gesteldheid als entiteit, waar het eerdere woord naar verwijst.

M: Aha, ik geloof dat ik het begrijp. En in een kortere samenvatting?

Cervantes: Het veranderen van de klemtoon in een woord of van de toonhoogte kan een boek aan verschil uitmaken. Een synoniem of nieuw geschapen woord voor hetzelfde taalobject is als de klemtoon of de toonhoogte bij een en hetzelfde woord.

M: Je bent veel onderweg?

Cervantes: Afhankelijk van het seizoen en het weer, ja. De helft van de tijd verblijf ik daardoor in huizen van anderen. Voorafgaande aan een reis geef ik instructies aan mijn eerste vervangende landheer die alles bestiert en het personeel de taken laat uitvoeren.

M: Je treedt nog op als redenaar?

Cervantes: Heb ik stukje bij beetje opgegeven. Een mens moet keuzes maken. Door het overlijden van mijn ouders is het huis mij toebedeeld. Ik kom materieel niets te kort, de noodzaak als redenaar om den brode te acteren is daardoor komen te vervallen. Spreken in het openbaar is al jaren vervangen door schrijven, de encyclopedie van woorden die is ontstaan en soms ook andere geschriften.

M: Welke ander geschriften?

Cervantes: Het zijn de gedachten, oude en nieuwe gedachten, waarover ik schrijf, het leven en de dood, maar het grote boek met woorden is hoofdzaak.

M: Dood?

Cervantes: Zeker, in de tijd van mijn opleiding tot redenaar was de dood al een gewild thema, populair, snobistisch, om over te discussiëren, weliswaar deel uitmakend van metafysica. De dood is echter meer dan een gewild thema, het is het leven en de bekroning van het leven.

M: Bekroning?

Cervantes: Ja en nee. De mens wil niet dood, de geest wel, wil verder. De laatste bladzijde van een boek kijkt uit naar de eerste bladzijden van een nieuw boek en is daardoor de bekroning op de voorafgaande bladzijden.

M: Ook als het einde wordt bewerkstelligd door een moord, een afgrijselijk levenseinde?

Cervantes: Voordat het doek valt in het theater is de laatste toneelscene leidend voor de evaluatie van het stuk. Met dit gevoel gaat het publiek op weg naar een volgende theaterstuk, of ook niet. In het laatste geval is het besluit niet opnieuw naar het theater te gaan ook een gevolg van de eerder genoten laatste toneelscene. De laatste bladzijde van het boek dat we leven noemen, geeft de richting aan waar we ons naar toe willen bewegen, ook als we besluiten nergens naar toe te willen gaan of als we metafysisch in een astraal ziekenhuis zouden willen uitrusten.

M: En jouw dood?

Cervantes: Het probleem is dat ik het Boek-van-woorden gereed zou willen hebben, aan de laatste bladzijde zou zijn toegekomen. Het is echter een boek dat nimmer een laatste bladzijde zal kennen. Elke dag kan een nieuw synoniem zich melden aan de deur van mijn huis. De dood zal komen terwijl ik nog ver, heel ver, van de laatste bladzijde verwijderd ben.

Reden om straks als de dood zich meldt het onaffe boek mee te willen nemen naar de overkant van de Lethe, de rivier van vergetelheid, op weg naar een nieuw leven als me dat gegeven wordt.

M: Op weg naar…?

Cervantes: Vervolmaking misschien, of in andere bewoordingen, een stapje verder in het bestaan dat zich onttrekt aan ruimte en tijd. Misschien minder stotteren in een ander leven, we weten het niet, maar in ieder geval weer kunnen beschikking over de duizenden woorden die ik voor mijn dood verzamelde. Ik heb daarom geleerd om naast optekenen van woorden deze ook in mijn hoofd op te slaan, de wandelende encyclopedie van weleer. Daardoor is meenemen van mijn Boek-van-woorden in het graf overbodig geworden. Of wij verder leven, reïncarneren, was tijdens de opleiding tot retoricus al een thema waar verschillend over gedacht werd. De disputen waren conform de tegenovergestelde stromingen van gezaghebbende vroegere denkers die er steeds bijgesleept werden.

Nou is het resultaat van denken anders dan van ervaren. Mijn zucht naar kennis, gedachten en vooral woorden kende ik sinds mijn vroegste jeugd, het was ingeboren zo leek. Het ouderlijk milieu was een goede voedingsbodem waarop mijn ingeboren interesses konden gedijen. Als kind had ik het gevoel dat mijn wandelende zoektochten naar gedachten en ideeën een voortzetting was van andere tijden, iets wat ik eerder had gekend, van eerdere ervaringen wellicht. Het kind in mij kon die eerdere ervaringen niet rijmen met de ogenschijnlijke werkelijkheid. Ik kon mij niets herinneren en toch waren er die herinneringen.

Eenmaal in aanraking met de werken van de ouden, de vroegere filosofen, kon ik mijn vroegste gevoelens verbinden met wat de ouden zeiden, ik had eerder geleefd. Er kwam logica in een serie aan vroegste gedachten en ervaringen. En als er een leven voor mijn leven was geweest dan kon er ook wel eens een leven ná mijn leven zijn. Hierdoor werd het probleem met mijn Boek-van-woorden opgelost. Alle woorden kon ik over de dood heen tillen door ze mee te nemen in mijn geest naar een volgend leven. Het gaf rust en zette mij aan, het boek pagina na pagina uit te breiden. Mijn woorden zou ik na de dood dus kunnen ophalen, in een andere tijd, in een ander land, geschreven in een andere taal die fonetisch nog onbekend is.

Ja, nadat dit leven is beëindigd zal ik, wellicht pas na enige tijd, op weg gaan naar een andere bestemming.

M: Filius, het is de hoogste tijd, ik katapulteer je naar het laatste minuten van je leven.

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Extrasensorisch filmbeeld dat aan de regressie voorafgaat: Een eenvoudig bed, een waardige heer, deze maakt zijn laatste reis.

Filius geprononceerde fijne neus steekt omhoog, hij ligt op een eenvoudig bed na een dag werken bij een heer. Het beeld is waardig, voor, tijdens en na zijn overlijden. Filius oogt als een koning, wellicht keizer, is dat ook, grote innerlijke beschaving. Hij zal de reis naar de overkant van de Lethe, de rivier van vergetelheid, alleen maken. Geen vrouw die ooit aan zijn zijde stond, noch een man.

M: Filius, je laatste dag, de laatste minuten, een twee, drie, vier, vijf

Cervantes: Er is iets gebeurd in mijn hoofd wat niet zou horen. Ik lig op bed, roerloos, kan me nauwelijks bewegen, mijn ademhaling hapert, wordt steeds minder. Ik ben niet bang, weet dat ik weldra zal overlijden, geef me over aan de krachten van de natuur die ik altijd bewonderd heb. Mijn laatste gedachten brengen enkele herinneringen in beeld, de eerste pluisjes en de zoektocht naar diertjes, de duizenden woorden die mijn vrienden zijn geworden. Ik voel me rustig. Het leven glijdt stilaan uit me weg, als tijdens een diepe trance en reis af met onbekende bestemming.

M: Dag Miguel de Cervantes, dit was je vorige leven als Filius. Het was een eer en een genoegen bij je te mogen zijn.

 

 

NOTEN EN AANBEVOLEN LITERATUUR
Betreffende twee opeenvolgende artikelen over Miguel de Cervantes.

 

Aristóteles (1995). Retórica. Madrid: Gredos.

Astrana Morín L. (1948-1958). Vida ejemplar y heroica de Miguel de Cervantes Saavedra. Madrid:Reus.

Agence France-Press (2017). Marcel Duchamp’s moustachioed Mona Lisa sells for $750,000. The Guardian. Consultado el 10 de septiembre de 2020, de https://bit.ly/3cUNNHU.

Azaustre Galiana A., Casas Rigall J. (1994). Introducción al análisis retórico: tropos, figuras y sintaxis del estilo. Santiago de Compostela: Universidad de Santiago de Compostela-Lalia.

Bataille G. (2011). La oreja de van Gogh. Madrid: Casimiro.

Cage J. (2002). Silencio. Madrid: Ardora.

Canavaggio J. (1992). Cervantes. En busca del perfil perdido. Madrid: Espasa Calpe.

Canavaggio J. (1998). Redactó la sectión sobre “Vida y Literatura. Cervantes en el Quijote”, I, pp. xli-lx de la edicióin de Don Quijote de Francisco Rico. Barcelona: Crítica. (con una extensa y anotada guía bibliográfica en las pp. lx-lxvi.

Consigny S. (2001). Gorgias: Sophist and Artist. Columbia, SC.: University of South Carolina Press.

Duchamp M. (1941). Mustache and Beard of L.H.O.O.Q. Paris: George Hugnet.

Ferreira I. (1988). Psiquiatria em face de reencarnação. São Paulo, SP: FEESP.

Gorgias de Leontinos (2016). De lo que no es, o de la naturaleza. Los testimonios. Barcelona: Anthropos.

Gracia J. (2016). Miguel de Cervantes. La conquista de la ironia. Madrid: Taurus.

Hernández Guerrero JA., García Tejera MªC. (1994). Historia breve de la Retórica. Madrid: Síntesis.

Jenofonte (1993). Recuerdos de Sócrates; Económico; Banquete; Apología de Sócrates. Madrid: Gredos

Lear J. (1994).  Aristóteles. El deseo de comprender. Madrid: Alianza.

López Eire A. (2000), Esencia y objeto de la Retórica, Salamanca: Ediciones Universidad de Salamanca.

Platón (1994). Gorgias. Oxford: Oxford University Press.

Platón (2003). Diálogos. Obra completa. Madrid: Gredos.

Platón (2011). La República o El Estado. Barcelona: Austral.

Platón (2014). Apología de Socrates. Madrid: Gredos.

Ponsatí-Murlà O. (2019). Qué sabes de… Aristóteles. Barcelona: RBA Libros.

Sorensen RA. (2007). Breve historia de la paradoja. Barcelona: Tusquiets.

Sorensen RA. (1999). Vagueness and Contradiction. New York, USA: Oxford University Press.

Sorensen RA. (1999). Thought Experiments. New York, USA: Oxford University Press.

Steven N., White-Smith G. (2012). Van Gogh: La vida. Madrid: Santillana.

Trapiello A. (2015). Las vidas de Miguel Cervantes. Barcelona: Austral.

Verstraaten MJG (2010). Epistemologie van Zwitserse gatenkaas (Epistemología del queso emmental). Mediumistic Journalism. Consultado el 4 de agosto de 2019, de https://bit.ly/33s9gEW.