Miguel de Cervantes, de Griekse redenaar die in Spanje incarneerde

Cervantes op papier gris
Foto: Wikipedia / G. dallorto
Jaargang 12.
Column 1.58
 

 

De naam Cervantes was me bekend, als kind had ik enkele keren naar plaatjes gekeken in Don Quichot dat ik hield voor een kinderboek. Pas jaren later begreep ik dat Miguel de Cervantes meer was dan alleen de auteur van Don Quichot, dat hij iets met taal van doen had, immers, in het hart van de stad Utrecht bevond zich de hoofdzetel van het gerenommeerde Instituto Cervantes Utrecht, dat in Nederland gold als veruit de beste keuze om Spaans te leren.

Nadat ik in 2014 in Spanje ging wonen en me meer in de Spaanse cultuur verdiepte begreep ik dat Miguel de Cervantes een van de belangrijkste roman- en toneelschrijvers uit de Spaanse literatuur was. De plaatjes in Don Quichot tijdens mijn kindertijd hadden me blijkbaar jaren op het verkeerde been gezet. In de mate van belangrijkheid in de literatuur, zo begreep ik steeds meer, is Miguel de Cervantes voor Spanje wat Joost van den Vondel voor Nederland is en William Shakespeare voor Engeland.

Cervantes´ invloed op de Spaanse en Franse taal was zo groot dat men in beide landen hun taal benoemde als ‘de taal van Cervantes’.

Het is september 2020, het manuscript voor het uit te geven boek over de vorige levens van zes historische Spanjaarden nadert zijn einde. Ik twijfel al een paar dagen of ik de reïncarnatieve doopceel van een zevende Spanjaard extrasensorisch zal lichten om aan het manuscript toe te voegen.

Op een avond laat ik mijn gedachten gaan over de vraag wie de hypothetische zevende zou moeten zijn. En vervolgens óf er wel een zevende moet worden toegevoegd. Luis Buñuel komt in me op, de cineast die ik al een leven lang bewonder, zelfs een groot schilderij aan hem heb gewijd. Maar het gevoel zet niet door, blijkbaar zijn er bij de keuze andere factoren van belang, factoren die ik niet ken. Een soortgelijk dilemma had ik bij Antoni Gaudí, Picasso en Theresia van Ávila. Gaudí was niet een eerste keuze, over Picasso waren al bibliotheken vol geschreven en Theresia van Ávila leek me een te braaf mens. Uiteindelijk brachten externe factoren, zoals vooraf ontvangen paranormale beelden van deze hoofdrolspelers, me bij hen en alle drie de keren was ik erg ingenomen met de keuze die ogenschijnlijk niet volledig uit mezelf was gekomen. Blijkbaar waren er andere krachten die speelden, spirits die mij nóg beter kenden dan ik mezelf. Ook Francisco Franco komt even in me op, er zal veel te verhapstukken zijn, maar ook dat gevoel zet uiteindelijk niet door.

De volgende ochtend ben ik druk, er moet bloed geprikt worden bij het laboratorium en de uitslag opgehaald worden van een röntgenfoto van het kaakgewricht. In de parkeergarage start ik de auto, vervolgens taxi ik naar de oprijhelling om naar buiten te rijden. Op momenten van willoze concentratie als deze, zoals ook bij het afwassen, slaan geesten altijd bij me toe. De lezer wil niet weten welke overledenen er steevast aan de aanrecht komen tijdens de afwas, overigens zonder een hand uit te steken. Bij de oprijhelling is het hetzelfde, geesten zien hun kans schoon bij me in te breken. Met muggen en vliegen is het hetzelfde. Als ik in de meest ongemakkelijke of kwetsbare houding zit, een plint schilder of een stopcontact wil aanleggen onderin het donkere aanrechtkastje, ja, dan wordt je zeker gestoken of geplaagd, althans ik, door vliegen en muggen.

Met geesten is het hetzelfde. De oprijhelling vraagt grote concentratie, ik kan aan niks anders denken want als ik stil kom te staan op de helling wegens een andere auto die naar beneden wil, dan moet ik Grua laten komen, de gratis Spaanse Wegenwacht, om te worden opgesleept.

Welnu, Cervantes en zijn adjudanten blijken dat te weten. Ik sta in de startblokken om de oprijheuvel te nemen, richt mijn ogen op de grote ronde spiegel boven aan de helling en… er wordt me gezegd dat het vorige leven van Cervantes zich afspeelde in Griekenland en dat in die incarnatie hij een guitige redenaar was die van de zenuwen gigantisch stotterde. Ik zie gelijk ook waarom hij toen zou hebben gestotterd, zenuwachtig was. Ook ontwaar ik dat er grote gelijkenis is, ook fysiek, tussen Cervantes in Spanje en de man, de redenaar, in Griekenland. Beide met een spitse smalle neus en rank lichaam, alleen de Griekse voorloper is wat kleiner. En dat komt allemaal bij me binnen in een nanoseconde op het moment dat ik verdorie de helling met de auto wil nemen. Konden de geesten niet even wachten totdat ik rustig aan een tafel zat voor een kop thee?

Ik ken de goede man, Cervantes, niet. Nooit een boek over hem gelezen, noch een biografie. Hij is de man uit mijn jeugd van het boek met plaatjes en mij bekend door de hoofdvesting van het instituut van zijn naam in Utrecht, meer weet ik niet.

Natuurlijk heb ik zijn uiterlijk op een van de vele affiches wel eens gezien. Ik beloof Cervantes en zijn gevolg, dat als het klopt dat hij ook in zijn Spaanse incarnatie een stotteraar was, ik zijn leven en vorig leven aan mijn boek zal toevoegen, maar dat ik nu met mijn auto wil opschieten.

Na het bezoek aan de medische diensten en eenmaal thuis aan mijn grote witte schrijftafel open ik Google en tik Cervantes in gevolgd door ‘stotteraar’. Een hele rits aan artikelen over Cervantes die stotterde komt in beeld. De informatie uit de geestenwereld was dus volledig juist. Ik besluit zoals beloofd zijn reïncarnatieve doopceel te lichten.

Hoe kon ik weten dat Cervantes, een man uit de XVI eeuw stotterde? Dat kan iemand niet weten, behalve als hij een helderziende of medium is die berichten uit de andere wereld ontvangt, en ja ik ben een helderziende en een medium.

Cervantes heeft blijkbaar gepraat met Lola Flores, Gaudí, Picasso en Theresia van Ávila. Ze zullen hem gezegd hebben: “Miguel, als je Martien Verstraaten wilt bereiken dan moet je hem iets laten zien of iets in zijn oor fluisteren, iets waardoor hij vertrouwen in je krijgt. Dan gaat hij pas schrijven en een vorig leven van je in kaart brengen.”

Achteraf is mij opgevallen dat ‘de keuze’ van de overledene voor mij als médium voor een deel terug te voeren is naar een of meer punten van aandacht die we beiden gemeen hebben. Vaak ontdekte ik dat pas achteraf, zoals bij Theresia, het triviale, Picasso, de liefde, Gaudí, het religieuze. Het waarom van de keuze van Cervantes zal aan het eind zeker meer duidelijkheid geven.

Een tip van de sluier kan ik wel al lichten. Literair wil ik me uiteraard niet meten met Cervantes. Ik zou het ook niet kunnen, omdat in mijn dagbewustzijn ik het werk van Cervantes niet ken. Ik schrijf slechts als medium met weliswaar een grote voorliefde voor taal, maar een roman van mijn hand moet nog geboren worden.

Mercurius, de planeet voor communicatie zou wel eens een van de gemeenschappelijke noemers tussen ons kunnen zijn, maar wellicht is er meer. Stotteren is aan mij niet besteed. Echter, de diepere achtergronden van het stotteren van Cervantes en van zijn Griekse voorloper, complexe denkprocessen, kunnen verwant zijn aan mijn inborst als medium.

Ayrton Senna kwam ook niet gemakkelijk uit zijn woorden, geen stotteraar, maar hij was echt geen prater. Tijdens de ‘gesprekken’ die ik met hem had vermoedde ik al dat zijn Mercurius een moeilijke positie moest hebben. Nadat het manuscript gereed was keek ik in zijn horoscoop, en ja hoor, zijn Mercurius stond in het XII huis, een stand vaak voorkomend bij doven of gehoorgestoorden en andere problemen met de communicatie. Senna bad tot God met zijn stuurwiel, de metten en de lauden, een rooms-katholiek verhaal in Brazilië. Met Miguel de Cervantes is het vrijwel eender. Het verschil met Senna is dat Cervantes zijn handicapt te lijf ging door de geschreven taal tot zijn God te maken, zoals de blind geworden Louis Braille dat voor blinden deed.

Mercurius, Heer van Tweelingen, draagt natuurlijk twee kanten van dezelfde medaille in zich. Als het praten moeilijkheden oplevert dan is er nog de geschreven taal. Redenaars vertegenwoordigen hoofdzakelijk de ene kant van Mercurius, schrijvers meer de andere kant. Meer dan eens heb ik opgemerkt dat schrijvers van het woord, zoals makers van encyclopedieën en woordenboeken die in stilte werken, geen vlotte praters zijn. Dat Cervantes aan de top van de Spaanse literatuur is komen te staan is voor een belangrijk deel dan ook te ‘danken’ aan het spraakgebrek dat hem parten speelde, en… nog meer als een reactie op zijn nog groter spraakgebrek in zijn vorige leven als Griekse redenaar.

De aandoening stotteren in al zijn oorzakelijke varianten wordt tot in den treure beschreven, uitgekauwd, medische handboeken en encyclopedieën eigen, in de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10) en in Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV). Je zou zeggen dat na het doorploegen van de vermeend wetenschappelijk brei je weet waar Abraham de mosterd haalt.

Nee dus, dergelijke handboeken zijn niet van toepassing op danseressen als Lola Flores met fantoompijn aan een been stammend uit een vorig leven als man, niet van toepassing op ‘schizofrene’ architecten als Gaudí die de Sagrada Familia bouwde of op autistisch-paranormale kinderen als Beatrice die incarneerde als de heilige Theresia van Ávila.

Stotteren heeft, zoals alle extra sensorisch geanalyseerde aandoeningen en geaardheden van Lola Flores tot en met Miguel de Cervantes in dit boek beschreven, naast fysiek en genetische oorzaken een paranormale component. Ingeval ´s avonds om 9.00 uur er op de nieuwsredactie van RTVE twee presentatoren gelijktijdig in een en dezelfde microfoon dezelfde tekst zouden inspreken, dan zouden de telefoonlijnen van RTVE roodgloeiend staan. Luisteraars zouden zich afvragen waarom het nieuws gebracht werd door een stotteraar. Hetzelfde zou het geval zijn wanneer een nieuwslezer voor de uitzending te veel alcohol zou hebben gedronken. Hij of zij zou niet meer uit zijn woorden kunnen komen, een dubbele tong. Meerdere entiteiten bevonden zich op dat moment in het hoofd van de nieuwlezer. De nieuwslezer zou ook gaan stotteren als hij aan elk oor een andere tekst zou horen over hetzelfde onderwerp.

Parasiterende geesten kunnen, en doen dat ook, de hersenen van mensen, redenaars of cabaretiers tot stotteraars maken. Een kwade geest kan iedereen tot stotteraar maken, zelfs zonder een glaasje alcohol. Buiten de kwalificaties in ICD-10 en DSM-IV bestaan er vele andere oorzaken die tot stotteren kunnen leiden en waarbij opgedane ervaringen in vorige levens in het oog springen.

Wat te denken van de boodschapper van koning of keizer. Een langeafstandloper, die buiten adem bij de koning aankomt om een mondelinge boodschap over te brengen en weet dat als hij te laat arriveert hij kan worden onthoofd? Zijn spreekvaardigheid zal worden overmand door angst voor de dood. Voorbeelden te over uit mijn praktijk als helderziende en medium.

Het stotteren van Cervantes dat als motief moet worden gezien waardoor hij taal tot zijn God maakte en daardoor de Spaanse literatuur verrijkte, vond niet zijn oorsprong in een van de gegeven classificaties in vermelde medische handboeken. Het waren a priori geen genetische, neurobiologische, gedragsmatige, emotionele en omgevingsfactoren die als oorzaak moeten worden aangemerkt, maar spiritistische, desnoods extra sensorische.

Dat een genetisch aspect en dus ook neurobiologische factoren kunnen meespelen, zelfs enige dominantie kunnen vertonen in onderhavige aandoening, is van een andere orde. In een karmische of dharmische context zal Cervantes zijn ouders hebben uitgezocht die dat specifieke genetische materiaal bezaten waardoor hij Miguel de Cervantes kon worden en niemand anders. Een mechanisme dat overigens bij elke incarnatie in werking treedt. Dat emoties, omgevingsfactoren en gedrag mede factoren zijn is evident. Maar de stam van deze boom, in ieder geval bij Cervantes, is de spiritistische en mediamieke factor. In het volgend hoofdstuk zal dat duidelijk blijken.

Het is opmerkelijk, misschien is het ook wel des levens, dat vooruitgang, creativiteit, meer dan eens wordt geboren vanuit defecten of onvermogens. Het Van Gogh Museum in Amsterdam trekt jaarlijks miljoenen bezoekers. Deze komen kijken naar het werk van een man die kunsthistorisch gezien en vanuit een klassieke benadering, zeker in het begin van zijn loopbaan als schilder, matig getalenteerd was. Deze man, Vincent van Gogh, die predikant wilde worden, afgewezen en vernederd op academies, maakte van de nood een deugd. Zijn oeuvre komt voort uit pure ellende, het kostte hem naast bloed, zweet en tranen, zijn rechter oor. Het is energetisch en spiritueel ook het verhaal van de stotterende redenaar uit Griekenland die incarneerde als Miguel de Cervantes.

Het levenspad van de ziel van Miguel de Cervantes in een verder verleden wordt beschreven in het artikel:

Miguel de Cervantes: Mijn vorige leven als Filius de Athener, de stotterende Griekse redenaar

 

 

NOTEN EN AANBEVOLEN LITERATUUR
Betreffende twee opeenvolgende artikelen over Miguel de Cervantes.

 

Aristóteles (1995). Retórica. Madrid: Gredos.

Astrana Morín L. (1948-1958). Vida ejemplar y heroica de Miguel de Cervantes Saavedra. Madrid:Reus.

Agence France-Press (2017). Marcel Duchamp’s moustachioed Mona Lisa sells for $750,000. The Guardian. Consultado el 10 de septiembre de 2020, de https://bit.ly/3cUNNHU.

Azaustre Galiana A., Casas Rigall J. (1994). Introducción al análisis retórico: tropos, figuras y sintaxis del estilo. Santiago de Compostela: Universidad de Santiago de Compostela-Lalia.

Bataille G. (2011). La oreja de van Gogh. Madrid: Casimiro.

Cage J. (2002). Silencio. Madrid: Ardora.

Canavaggio J. (1992). Cervantes. En busca del perfil perdido. Madrid: Espasa Calpe.

Canavaggio J. (1998). Redactó la sectión sobre “Vida y Literatura. Cervantes en el Quijote”, I, pp. xli-lx de la edicióin de Don Quijote de Francisco Rico. Barcelona: Crítica. (con una extensa y anotada guía bibliográfica en las pp. lx-lxvi.

Consigny S. (2001). Gorgias: Sophist and Artist. Columbia, SC.: University of South Carolina Press.

Duchamp M. (1941). Mustache and Beard of L.H.O.O.Q. Paris: George Hugnet.

Ferreira I. (1988). Psiquiatria em face de reencarnação. São Paulo, SP: FEESP.

Gorgias de Leontinos (2016). De lo que no es, o de la naturaleza. Los testimonios. Barcelona: Anthropos.

Gracia J. (2016). Miguel de Cervantes. La conquista de la ironia. Madrid: Taurus.

Hernández Guerrero JA., García Tejera MªC. (1994). Historia breve de la Retórica. Madrid: Síntesis.

Jenofonte (1993). Recuerdos de Sócrates; Económico; Banquete; Apología de Sócrates. Madrid: Gredos

Lear J. (1994).  Aristóteles. El deseo de comprender. Madrid: Alianza.

López Eire A. (2000), Esencia y objeto de la Retórica, Salamanca: Ediciones Universidad de Salamanca.

Platón (1994). Gorgias. Oxford: Oxford University Press.

Platón (2003). Diálogos. Obra completa. Madrid: Gredos.

Platón (2011). La República o El Estado. Barcelona: Austral.

Platón (2014). Apología de Socrates. Madrid: Gredos.

Ponsatí-Murlà O. (2019). Qué sabes de… Aristóteles. Barcelona: RBA Libros.

Sorensen RA. (2007). Breve historia de la paradoja. Barcelona: Tusquiets.

Sorensen RA. (1999). Vagueness and Contradiction. New York, USA: Oxford University Press.

Sorensen RA. (1999). Thought Experiments. New York, USA: Oxford University Press.

Steven N., White-Smith G. (2012). Van Gogh: La vida. Madrid: Santillana.

Trapiello A. (2015). Las vidas de Miguel Cervantes. Barcelona: Austral.

Verstraaten MJG (2010). Epistemologie van Zwitserse gatenkaas (Epistemología del queso emmental). Mediumistic Journalism. Consultado el 4 de agosto de 2019, de https://bit.ly/33s9gEW.